ECLI:NL:RBDHA:2022:7787
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid na bezwaarbesluit
Verzoeker heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen bij besluit van 19 november 2021.
Tegen dit primaire besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt en tevens een voorlopige voorziening verzocht. Op 15 februari 2022 is het bezwaar door verweerder beslist. Na deze beslissing heeft verzoeker beroep en een nieuw verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter oordeelt dat op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht een verzoek om voorlopige voorziening alleen mogelijk is indien er een bezwaar of beroep aanhangig is. Nu het bezwaar is afgehandeld en niet meer aanhangig is, is het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting en er staat geen rechtsmiddel open tegen deze beslissing.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar niet meer aanhangig is.