ECLI:NL:RBDHA:2022:7788
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak verblijfsvergunning regulier
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Dit bezwaar is door verweerder niet-ontvankelijk verklaard bij besluit van 15 februari 2022. Verzoeker heeft vervolgens beroep ingesteld tegen dit besluit en daarnaast een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening zonder zitting behandeld op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Bij de uitspraak in de hoofdzaak (zaaknummer AWB 22/1437) is het beroep ongegrond verklaard, waardoor het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond is afgewezen.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter W. Anker en griffier A.S. Hamans. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens kennelijke ongegrondheid.