ECLI:NL:RBDHA:2022:7789
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken tijdige gronden bezwaar verblijfsvergunning
Eiser, een Turkse nationaliteit houdende persoon, diende een aanvraag in voor verlenging van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Deze aanvraag werd op 19 november 2021 afgewezen door verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Eiser maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar bij besluit van 15 februari 2022 werd zijn bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat hij binnen de gestelde termijn geen gronden van bezwaar had ingediend.
Eiser stelde dat hij in zijn bezwaar nu wel alle juiste gegevens had ingebracht en verwees naar de associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Turkije van 12 september 1963. De rechtbank oordeelde echter dat dit niet aantoonde dat eiser tijdig gronden had ingebracht bij zijn bezwaar. Hierdoor werd het beroep kennelijk ongegrond verklaard.
De rechtbank deed uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken verzet open.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van tijdige gronden bij het bezwaar.