ECLI:NL:RBDHA:2022:7796
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van beroepsgronden bij afwijzing verblijfsvergunning
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin het bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank heeft het beroep zonder zitting behandeld op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Volgens artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb moet het beroepschrift de gronden van het beroep bevatten, oftewel de punten waarop eiser het niet eens is met het bestreden besluit. Het beroepschrift van eiser bevatte geen gronden. De rechtbank heeft eiser tweemaal schriftelijk verzocht alsnog gronden in te dienen, maar hierop is geen reactie ontvangen.
Gezien het ontbreken van gronden verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter W. Anker en griffier A.S. Hamans en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden.