ECLI:NL:RBDHA:2022:7838
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit schuldhulpverlening wegens onvoldoende motivering smartengeld en belangen minderjarige
De zaak betreft een geschil tussen eiseres en het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer over de verdeling van een schadevergoeding in het kader van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Eiseres ontving een schadevergoeding van € 2.000,- wegens een aanrijding met de fiets, waarvan verweerder € 1.600,80 bestemde voor schuldeisers na aftrek van gemaakte kosten. Eiseres betwistte deze verdeling.
In een eerdere tussenuitspraak oordeelde de rechtbank dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd, met name omdat verweerder niet adequaat de belangen van eiseres en haar minderjarige dochter had meegewogen en niet had onderzocht welk deel van de schadevergoeding smartengeld betrof. Verweerder heeft nadere motivering gegeven, maar de rechtbank acht deze onvoldoende.
De rechtbank stelt dat een bedrag van € 500,- redelijkerwijs als smartengeld kan worden aangemerkt, gelet op de ernst van het ongeval, de gemaakte kosten en de angst om te fietsen. Dit bedrag komt toe aan de schuldeisers. De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de minderjarige dochter en onvoldoende heeft onderzocht welk deel van de schadevergoeding smartengeld is.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat € 500,- ten gunste komt van de schuldeisers. Tevens draagt de rechtbank verweerder op het betaalde griffierecht aan eiseres te vergoeden. Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en een bedrag van € 500,- wordt ten gunste van de schuldeisers bepaald.