ECLI:NL:RBDHA:2022:7840
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond op afwijzing WW-uitkering wegens ontbreken arbeidsuren in loonsperiode
Eiseres was werkzaam als medewerker huishouding en meldde zich op 10 januari 2020 ziek. De bedrijfsarts adviseerde re-integratie in eigen werk, maar eiseres startte hier niet mee. Haar werkgever stopte de loonuitbetaling per 10 maart 2020 en vroeg een deskundigenoordeel aan, dat het aangeboden aangepaste werk passend vond. Vanaf 1 juli 2020 werd het loon weer uitbetaald. Per 1 december 2020 eindigde het dienstverband via een vaststellingsovereenkomst.
Eiseres vroeg een WW-uitkering aan, die werd afgewezen omdat zij niet voldeed aan de wekeneis van artikel 17 WW Pro, aangezien er geen arbeidsuren waren in de periode 10 maart tot 1 juli 2020. Eiseres stelde dat de beëindigingsvergoeding loon over die periode weerspiegelde en dat er sprake was van loonbetaling via nabetalingen in september 2020.
De rechtbank oordeelde dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat de nabetalingen over april, mei en juni 2020 waren, aangezien de correcties betrekking hadden op juli en augustus. Uit loonstroken bleek geen loonbetaling over de betwiste periode. Daarom was er geen sprake van arbeidsuren in die periode en werd het beroep ongegrond verklaard. Een proceskostenveroordeling werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep op de afwijzing van de WW-uitkering wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van loonbetalingen over de relevante periode.