ECLI:NL:RBDHA:2022:7897
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning wegens feitelijke verbreking huwelijk en schending artikel 8 EVRM niet vastgesteld
Eiser, een Marokkaanse nationaliteit houdende vreemdeling, kreeg een verblijfsvergunning voor verblijf als gezinslid bij zijn echtgenote. Verweerder trok deze vergunning met terugwerkende kracht in per 30 oktober 2020, nadat de referent had gemeld dat de relatie feitelijk was verbroken en zij niet meer samenwoonden.
Eiser voerde aan dat de relatie op die datum nog niet was verbroken en dat hij nog samenwoonde met de referent. Hij stelde ook dat verweerder ten onrechte had afgezien van het horen in bezwaar. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de vergunning introk, omdat eiser geen bewijs had geleverd van voortzetting van de relatie en de melding van de referent niet werd weersproken.
Verder stelde eiser dat de intrekking een schending van zijn privéleven volgens artikel 8 EVRM Pro betekende. De rechtbank vond dat verweerder een zorgvuldige belangenafweging had gemaakt, waarbij rekening was gehouden met de sterke banden van eiser met Marokko en de mogelijkheid zich daar opnieuw te vestigen.
Het verzoek om voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de bodemzaak was behandeld. De rechtbank concludeerde dat de hoorplicht niet was geschonden en wees het beroep ongegrond.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning ongegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.