ECLI:NL:RBDHA:2022:8024
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing verblijfsvergunning familie en gezin
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor het verblijfsdoel 'familie en gezin'. Deze aanvraag is op 19 december 2021 afgewezen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit bezwaar werd op 9 februari 2022 ongegrond verklaard.
Tegen dit bestreden besluit heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag en tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter heeft besloten het onderzoek ter zitting achterwege te laten en het onderzoek te sluiten.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, mede omdat de rechtbank in een gelijktijdige uitspraak (zaaknummer NL22.4007) het beroep inhoudelijk heeft behandeld. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt afgewezen.