ECLI:NL:RBDHA:2022:8025

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 augustus 2022
Publicatiedatum
10 augustus 2022
Zaaknummer
NL22.13021
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningVerordening EU Nr. 604/2013
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening België

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan op grond van de Dublinverordening. Eiser stelde dat Nederland de verantwoordelijkheid op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich had moeten trekken.

De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ertoe leidt dat Nederland ervan uit mag gaan dat België zijn verdragsverplichtingen nakomt. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat België de Europese asielrichtlijnen en verdragsrechtelijke verplichtingen niet zal naleven. De Belgische autoriteiten hadden de asielclaim geaccepteerd en garandeerden een zorgvuldige behandeling.

Daarnaast was de door eiser aangevoerde situatie omtrent het ontbreken van een slaapplaats na afwijzing van zijn aanvraag in België niet onrechtmatig of in strijd met internationaal recht. Ook de stelling dat humanitaire aspecten onvoldoende waren betrokken, faalde omdat eiser geen bewijs leverde van een partnerrelatie in Nederland. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.13021
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.M. Walls),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. F.F.M. van de Kamp).

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, met de zaak NL22.13022, op 4 augustus 2022 op zitting behandeld in Breda. Partijen zijn, met bericht vooraf, niet verschenen.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Niet in geschil is dat België verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. Wel in geschil is of Nederland die verantwoordelijkheid aan zich moet trekken met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. [1]
2. Uitgangspunt is dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat België zijn verdragsverplichtingen zal nakomen en dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat dit anders is.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hier niet in geslaagd. Eiser heeft niet onderbouwd dat België bij de behandeling van eisers asielverzoek de Europese asielrichtlijnen en verdragsrechtelijke verplichtingen niet in acht zal nemen. De Belgische autoriteiten hebben de claim geaccepteerd. Daarmee garanderen zij dat ze het asielverzoek in behandeling zullen nemen en mag ervan worden uitgegaan dat zij dat asielverzoek zorgvuldig zullen beoordelen. Eiser heeft slechts verklaard dat hij na de afwijzing van zijn asielaanvraag geen slaapplaats meer kreeg in België. Die handelwijze is volstrekt gebruikelijk en toelaatbaar en niet in strijd met het internationale recht.
4. De stelling dat humanitaire aspecten onvoldoende zijn betrokken bij de beoordeling of verweerder toepassing had moeten geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, treft evenmin doel. Eiser heeft tijdens het gehoor [2] verklaard geen partner te hebben. Hij heeft pas bij zienswijze aangevoerd dat hij een partner heeft in Nederland. Hij heeft nagelaten daarover details te verstrekken, laat staan bewijs aan te leveren. Reeds daarom heeft verweerder de humanitaire clausule niet hoeven toepassen.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2022 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.Verordening EU Nr. 604/2013.
2.Gehoor van 15 januari 2022, p. 4.