Uitspraak
, vertegenwoordigd door mr. D. Tap,
Rechtbank Den Haag
De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van een schuldenaar die een problematische schuld van ruim 1 miljoen euro bij één schuldeiser heeft. De schuldenaar deed een voorstel tot schuldregeling waarbij een klein deel van de schuld wordt voldaan en het restant wordt kwijtgescholden. De schuldeiser stemde niet in, waarna de schuldenaar de rechtbank verzocht het dwangakkoord op te leggen.
De rechtbank oordeelde dat het verzoek ontvankelijk is, ook al vertegenwoordigt één schuldeiser de gehele schuld, omdat de wet geen pluraliteit van schuldeisers vereist voor een dwangakkoord. De schuldbemiddeling was uitgevoerd door een bevoegde instantie en het voorstel was goed gedocumenteerd. De rechtbank maakte een belangenafweging en concludeerde dat het onredelijk is dat de schuldeiser weigert in te stemmen.
De schuld is ontstaan uit een schuldbekentenis uit 2007 en is rechtsgeldig bevestigd door het gerechtshof. De schuldenaar heeft geen vermogen meer en kan door gezondheidsproblemen niet meer werken dan drie dagen per week. Het voorstel is het maximaal haalbare. De rechtbank vond het belang van de schuldenaar bij schuldenvrijheid zwaarder wegen dan het belang van de schuldeiser bij volledige betaling.
De stelling van kwade trouw van de schuld werd verworpen, evenals het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, omdat het dwangakkoord werd toegewezen. De rechtbank beval de schuldeiser mee te werken aan het dwangakkoord en wees het WSNP-verzoek af.
Uitkomst: Verzoek tot oplegging van dwangakkoord toegewezen en WSNP-verzoek afgewezen.