ECLI:NL:RBDHA:2022:8117
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling niet rechtmatig verblijf EU-burger en te korte vertrektermijn vernietigd
Eiser, een Poolse EU-burger, werd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het rechtmatig verblijf in Nederland ontzegd op grond van het Unierecht, omdat hij geen reële kans op arbeid had en niet als werkzoekende geregistreerd stond. Tevens werd hem een vertrektermijn van vier weken opgelegd.
De rechtbank oordeelt dat eiser terecht geen rechtmatig verblijf heeft, gezien het ontbreken van werk en concrete sollicitatie-inspanningen, het ontbreken van identificatiepapieren en zijn zwervend bestaan met meerdere contacten met politie en justitie. Verweerder heeft het arbeidsverleden van eiser meegewogen en het algemeen belang van Nederland zwaarder gewogen dan het belang van eiser.
Echter, de rechtbank stelt vast dat de opgelegde vertrektermijn van 28 dagen te kort is, omdat de Verblijfsrichtlijn en Verordening 1182/71 een termijn van minimaal een maand voorschrijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en het primaire besluit voor zover de vertrektermijn is vastgesteld en bepaalt een nieuwe uiterste vertrekdatum.
Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de rechtbank op het beroep heeft beslist. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de te korte vertrektermijn van 28 dagen wordt vernietigd; eiser moet uiterlijk 25 juni 2022 Nederland verlaten.