ECLI:NL:RBDHA:2022:8168

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 augustus 2022
Publicatiedatum
16 augustus 2022
Zaaknummer
NL22.14733
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitVerordening (EU) 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van maatregel van bewaring op grond van artikel 59a Vreemdelingenwet 2000

Eiser, een Syriër, is door verweerder een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel is gebaseerd op zware en lichte gronden, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het onttrekken aan toezicht en onvoldoende medewerking bij het vaststellen van identiteit.

Eiser betwist de gronden niet, maar voert aan dat hij alle rechtsmiddelen heeft benut om overdracht aan Bulgarije te voorkomen en dat er geen significant risico bestaat dat hij zich aan toezicht zal onttrekken. De rechtbank oordeelt dat de gronden voldoende zijn om het risico aan te nemen en dat de beoordeling van het overdrachtsbesluit niet in deze procedure thuishoort.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter B.F.Th. de Roos en griffier S.D.C.J. Verheezen en kan worden aangevochten bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.14733

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. E.W.M. ter Meulen-Mouwen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Hopman).

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Op 4 augustus 2022 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 5 augustus 2022 een verweerschrift ingediend. Op 10 augustus 2022 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Syrische nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening [1] en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser heeft aangevoerd hij alle mogelijke rechtsmiddelen heeft aangewend om overdracht aan Bulgarije te voorkomen. Er is dan ook geen sprake van een significant risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
4. Eiser heeft de lichte en de zware gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet betwist. Dit brengt met zich dat hoe dan ook voldoende gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 maart 2014. [2] Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
5. Ten slotte voert eiser aan dat hij niet mag worden overgedragen aan Bulgarije omdat ten aanzien van Bulgarije niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. De rechtbank stelt vast dat deze gronden gericht zijn tegen het overdrachtsbesluit. In deze procedure kan de rechtmatigheid van verweerders besluit over de Dublinoverdracht niet ter toetsing worden voorgelegd. De bewaringsrechter beoordeelt immers slechts de rechtmatigheid van de bewaring.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Verordening (EU) 604/2013.