AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek tot adoptie meerderjarige stiefkinderen wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Twee meerderjarige kinderen hebben verzocht om adoptie door hun stiefvader, die sinds hun jeugd een vaderfiguur voor hen is. De rechtbank stelt vast dat de wet geen meerderjarigenadoptie toestaat en dat het verzoek daarom in beginsel niet kan worden toegewezen.
Verzoekers deden een beroep op artikel 8 EVRMPro (recht op family life), maar de rechtbank oordeelt dat dit recht niet strekt tot een recht op adoptie en dat het ontbreken van een juridische adoptie geen ongeoorloofde inbreuk vormt op het gezins- en familieleven. De rechtbank benadrukt dat de relatie tussen verzoeker en de kinderen hecht en warm is, maar dat dit niet leidt tot zeer bijzondere omstandigheden die een uitzondering op het minderjarigheidsvereiste rechtvaardigen.
De rechtbank concludeert dat het verzoek moet worden afgewezen, waarbij wordt erkend dat de emotionele band tussen verzoeker en de kinderen bijzonder is, maar dat dit geen grond is voor adoptie buiten de wettelijke kaders. De afwijzing doet geen afbreuk aan de bestaande familiale relatie.
Uitkomst: Het verzoek tot adoptie van de meerderjarige stiefkinderen wordt afgewezen wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op het minderjarigheidsvereiste rechtvaardigen.
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 20-337
Zaaknummer: C/09/587560
Datum beschikking: 22 juli 2022
Adoptie
Beschikking op het op 22 januari 2020 ingekomen verzoekschrift van:
[Y]
verzoeker,
wonende te [woonplaats 1] ,
[X]
hierna ook [X] ,
wonende te [woonplaats 4] ,
[YY] ,
hierna ook [YY] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
samen: verzoekers,
advocaat: mr. J.H. Weermeijer te Leiden.
Als belanghebbende ten aanzien van het verzoek van [X] geldt:
[YYY]
de biologische vader van [X] ,
wonende te [woonplaats 3] , Cuba.
Procedure
De rechtbank heeft kennis genomen van:
het verzoekschrift;
het F9-formulier van 10 maart 2020 met bijlagen van de zijde van verzoekers;
het F9-formulier van 12 maart 2020 met bijlagen van de zijde van verzoekers;
het F9-formulier van 25 augustus 2020 met bijlagen van de zijde van verzoekers;
het F9-formulier van 4 september 2020 met bijlagen van de zijde van verzoekers;
het F9-formulier van 25 mei 2022 met bijlage van de zijde van verzoekers.
Op 24 juni 2022 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
verzoekers, waarvan [X] via Teams, met hun advocaat;
de moeder van [X] en [YY] .
Bij F9-formulier van 24 juni 2022 heeft mr. Weermeijer na de zitting zijn pleitaantekeningen overgelegd.
De biologische vader van [X] is, hoewel goed opgeroepen, niet op de zitting verschenen.
Verzoek
Het verzoek strekt tot adoptie door verzoeker van [X] en [YY] en tot het nemen van alle beslissingen die daartoe noodzakelijk zijn.
Er is geen verweer tegen het verzoek gevoerd.
Feiten
Verzoeker heeft sinds 1996 een affectieve relatie met [naam moeder] (hierna: de moeder) en is op [huwelijksdatum] 1997 met haar gehuwd.
Uit de moeder zijn geboren:
[YY] is, blijkens het vertaalde “Uittreksel van Geboorte akte” blad [nr. 1] uit boek [boeknr. 1] , geboren als kind van de moeder en van [naam vader van YY] .
Volgens een vertaald “Certificaat van Overlijden” van de gemeente [plaatsnaam] , is de vader van [YY] op [datum overlijden] 2006 overleden.
[X] is, blijkens het vertaalde “Uittreksel van Geboorte akte” blad [nr. 2] uit boek [boeknr. 2] , geboren als kind van de moeder en van [YYY] .
Verzoekers hebben allemaal de Nederlandse nationaliteit.
Beoordeling
Het verzoek
Verzoekers voeren het volgende aan ter onderbouwing van hun verzoek. Verzoeker heeft in 1996 een relatie gekregen met de moeder van [YY] en [X] . Kort daarna is verzoeker gaan samenwonen met de moeder en met haar kinderen. [X] was op dat moment twee jaar oud en [YY] twaalf. Verzoeker is voor beide kinderen hun vaderfiguur geworden. [X] heeft op de zitting gedeeld hoeveel verzoeker voor haar is gaan betekenen. Zij is niet bij of met haar biologische vader opgegroeid en kent hem nauwelijks. Ze heeft hem eenmaal opgezocht, in de periode rond 2016. Toen zij bij haar biologische vader aan de deur kwam, gaf hij ‘niet thuis’ en daarvoor of daarna heeft hij nimmer contact met haar gezocht. Anders dan haar biologische vader is verzoeker voor [X] altijd een vader geweest, die voor haar heeft gezorgd, haar heeft opgevoed en haar heeft gesteund in haar ontwikkeling. Vanaf het moment dat verzoeker en de moeder plannen zijn gaan maken om naar Cuba te emigreren, is bij [X] de wens gegroeid om de relatie met verzoeker te formaliseren en is er een groot emotioneel proces in gang gezet waarbij het verlangen om geadopteerd te worden zo sterk is geworden dat verzoekers ruim twee jaar geleden dit verzoek hebben ingediend. Sindsdien is het [X] zwaar gevallen om te wachten op de beslissing.
Ook voor [YY] is verzoeker zijn huidige vaderfiguur. [YY] noemt verzoeker al vijfentwintig jaar vader en verzoeker is bij de hele opvoeding van [YY] betrokken geweest. [YY] heeft ook goed contact gehad met zijn biologische vader, die inmiddels is overleden. Juist ook door dit overlijden van zijn biologische vader en het daarmee gepaard gaande verdriet, heeft [YY] de behoefte om de band met verzoeker te formaliseren.
Verzoeker heeft op de zitting toegelicht dat hij de keuze voor een eventuele adoptie altijd bij de kinderen heeft gelegd en dat er daarom niet tijdens de minderjarigheid van [YY] en [X] een verzoek tot adoptie is ingediend. Hij ziet het als een bijzondere blijk van liefde en vertrouwen van de kinderen dat zij door hem geadopteerd willen worden. Het heeft verzoeker verbaasd dat er toestemming van de rechtbank nodig is voor iets wat voor hem evident juist is.
De moeder ondersteunt het door verzoekers gedane adoptieverzoek, blijkens de door haar op 26 februari 2020 ondertekende verklaring. Zij heeft de rechtbank op de zitting verzocht met het hart te beslissen op het verzoek.
De rechtbank overweegt als volgt
Of de verzochte adoptie mogelijk is, wordt bepaald aan de hand van de gronden en voorwaarden als vermeld in de artikelen 1:227 en 1:228 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Uit deze voorwaarden volgt dat adoptie primair een kinderbeschermingsmaatregel is. [X] en [YY] waren bij de indiening van het adoptieverzoek vijfentwintig jaar en vierendertig jaar oud. Dit betekent dat niet is voldaan aan de in artikel 1:228 lid 1 onderPro a BW gestelde voorwaarde dat zij op de dag van de indiening van het verzoekschrift minderjarig zijn. Die bepaling is van dwingend recht, zodat op grond van het toe te passen Nederlandse recht (stiefouder)adoptie in dit geval in beginsel is uitgesloten.
Voor verzoekers zou afwijzing van het verzochte heel teleurstellend zijn. [X] en [YY] hebben een mogelijke afwijzing van het verzoek omschreven als het opnieuw door een ouder in de steek gelaten worden. Verzoekers hebben op de zitting dan ook een beroep gedaan op hun recht op family life in de zin van artikel 8 vanPro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en verzocht om de dwingendrechtelijke wetsbepalingen van artikel 1:228 BWPro terzijde te stellen.
De rechtbank stelt voorop dat het recht op adoptie als zodanig niet behoort tot één van het door het EVRM beschermde rechten maar dat een weigering een adoptie toe te staan onder bijzondere omstandigheden wel een inbreuk kan opleveren op de door artikel 8 EVRMPro gegarandeerde rechten. In dat geval moet sprake zijn van zeer bijzondere omstandigheden die een terzijdestelling van voormelde dwingendrechtelijke nationale bepalingen rechtvaardigen. Het moet dan gaan om (zeer) uitzonderlijke gevallen, waarin de weigering van een adoptie een ongeoorloofde inbreuk op het door artikel 8 EVRMPro beschermde gezins- en familieleven met zich zou brengen. Dat een gevoelde familieband niet wordt omgezet in een juridisch gezinsverband is op zichzelf dus niet in strijd met artikel 8 EVRMPro.
Het enkele feit dat adoptie niet mogelijk is wanneer niet wordt voldaan aan de in de nationale wetgeving vastgestelde gronden en voorwaarden, kan daarom in beginsel niet worden aangemerkt als een ongeoorloofde inbreuk op het recht op family life.
Zeer bijzondere omstandigheden
Uit de ingediende stukken en de verklaringen op de zitting is gebleken dat tussen verzoeker en [X] en [YY] sprake is van een hechte en warme band. Zij voelen zich familie van elkaar en [X] en [YY] zien verzoeker als hun vader.
De rechtbank begrijpt vanuit deze gevoelens de wens tot adoptie, maar dit leidt niet tot zeer bijzondere omstandigheden die meebrengen dat er een uitzondering op het minderjarigheidsvereiste bij adoptie kan worden gemaakt. Door verzoeker zijn geen gegronde redenen aangedragen waarom het verzoek niet eerder (ten tijde van de minderjarigheid van de kinderen) ingediend had kunnen worden. [X] en [YY] wonen al sinds medio 1997 bij verzoeker en hun moeder en zijn pas in 2003 respectievelijk 2012 meerderjarig geworden.
Dat [X] en [YY] een intensievere band ervaren met verzoeker dan met hun biologische vaders, is in deze tijd – waarin stiefouders en samengestelde gezinnen steeds vaker voorkomen – niet uitzonderlijk. De rechtbank is daarom van oordeel dat dit gezinsverband op zichzelf niet een omstandigheid is die kan leiden tot een uitzondering op het minderjarigheidsvereiste bij adoptie. Ook het teken van waardering en verbondenheid dat [X] en [YY] aan verzoeker willen geven maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat er sprake is van een zeer bijzondere omstandigheid op grond waarvan geoordeeld kan worden dat sprake is van een ongeoorloofde inbreuk op het door artikel 8 EVRMPro beschermde gezins- en familieleven. [X] en [YY] hadden en hebben immers gezinsleven met verzoeker. Dat deze band niet juridisch wordt vertaald in een adoptie levert geen schending op van dat gezinsleven. Dat [X] en [YY] verzoeker als hun vader beschouwen, wordt evenmin tenietgedaan door deze beslissing.
[X] heeft ook aangevoerd dat zij er psychisch last van heeft dat verzoeker niet haar juridische vader is. Desgevraagd is tijdens de zitting gebleken dat de oorzaak voor deze psychische last op het eerste gezicht niet zozeer is gelegen in de onzekerheid over de adoptie, maar in het gevoel van afwijzing door haar biologische vader, waar zij nog altijd last van heeft. Nu de aard van haar klachten met name lijkt te zien op haar moeizame relatie met haar biologische vader, is het niet uitspreken van de adoptie geen dusdanige inbreuk op het beschermde gezins- en familieleven van [X] dat door de weigering hierop een inbreuk wordt gemaakt
Het verzoek zal dus worden afgewezen.
De rechtbank hecht eraan te benadrukken dat deze voor [X] en [YY] teleurstellende uitkomst niets afdoet aan de speciale band die zij hebben met verzoeker, die zij ook op de zitting duidelijk naar voren hebben gebracht.
Beslissing
De rechtbank:
wijst het verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C. Sluymer, J.T.W. van Ravenstein en A. Emmens, rechters, bijgestaan door mr. I.M. Talstra - Touwen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 juli 2022.