Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit Turkije, eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Turkse ondernemer met een verblijfsvergunning onder niet-tijdelijke humanitaire gronden, verzocht om een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser niet kon aantonen dat hij sinds 2017 over een duurzaam en zelfstandig inkomen beschikte dat voldoet aan het normbedrag van €1.250,12 per maand.
Eiser voerde in beroep aan dat de gehanteerde referteperiode van 18 maanden een vertekend beeld geeft en dat hij wel degelijk voldoende middelen heeft, mede gezien zijn arbeidsverleden en privéleven in Nederland. Daarnaast stelde hij dat het besluit onevenredig en onzorgvuldig is en dat hij de vergunning nodig heeft voor investeringen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiser niet aan het middelenvereiste voldoet en dat er geen grond is voor een belangenafweging omdat dit in strijd zou zijn met de richtlijn langdurig ingezetenen. Ook is geen sprake van schending van het evenredigheids- of zorgvuldigheidsbeginsel, noch van artikel 8 EVRM Pro, omdat het verblijf van eiser rechtmatig kan worden voortgezet.
Verder concludeerde de rechtbank dat de hoorplicht niet is geschonden omdat het redelijk was om af te zien van het horen van eiser in bezwaar. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene wordt ongegrond verklaard.