ECLI:NL:RBDHA:2022:8224
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Klacht ongegrond verklaard over tijdelijke verplichte zorg en crisismaatregel GGZ
Verzoekster diende klachten in tegen de toepassing van tijdelijke verplichte zorg voorafgaand aan en tijdens een crisismaatregel opgelegd op 27 november 2020 door GGZ Delfland en de burgemeester van Delft. Zij stelde dat er geen sprake was van ernstig nadeel dat een dergelijke interventie rechtvaardigde en dat de zorgverleners onzorgvuldig hadden gehandeld, onder meer door het betreden van haar woning zonder toestemming, het afnemen van haar telefoon en het ontbreken van een wilsbekwaamheidsbeoordeling.
De rechtbank oordeelde dat de zorgverleners op grond van de in november 2020 ontstane zorgen en het vermoeden van een psychische stoornis met verhoogd suïciderisico redelijkerwijs konden besluiten tot tijdelijke verplichte zorg voorafgaand aan de crisismaatregel. Ook tijdens de crisismaatregel was sprake van een ernstig vermoeden van levensgevaar door een psychische stoornis, wat de verplichte zorg proportioneel en noodzakelijk maakte.
De klacht over het ontbreken van een wilsbekwaamheidsbeoordeling werd ongegrond verklaard omdat de situatie van ernstig onmiddellijk dreigend nadeel zich voordeed. Andere klachten die niet onder de limitatieve opsomming van artikel 10:3 Wvggz Pro vielen, werden niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen.
De beschikking werd gegeven door rechter D.G.J. Dop en uitgesproken op 28 juni 2022. Tegen de beslissing op de klacht staat cassatie open, tegen de afwijzing van de schadevergoeding hoger beroep.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de klachten ongegrond en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.