ECLI:NL:RBDHA:2022:8260

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 augustus 2022
Publicatiedatum
18 augustus 2022
Zaaknummer
NL22.14683
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrecht

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. De bewaring was inmiddels opgeheven, waardoor de beoordeling zich beperkte tot de vraag of de tenuitvoerlegging onrechtmatig was geweest en of schadevergoeding toegekend moest worden.

De staatssecretaris had de bewaring gebaseerd op zware gronden, waaronder het niet rechtmatig binnenkomen van Nederland door eiser en het bestaan van een overdrachtsbesluit dat onmiddellijke overdracht noodzakelijk maakte. Eiser betwistte deze gronden niet gemotiveerd en stelde dat hij als vluchteling was binnengekomen en rechtmatig verblijf had vanwege een beroep tegen het overdrachtsbesluit.

De rechtbank oordeelde dat de zware gronden terecht waren toegepast en dat het significante risico bestond dat eiser zich aan de overdracht zou onttrekken. De lichte gronden werden niet gemotiveerd betwist en stonden daarmee vast. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.14683
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. R. Hopman).

Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 3 augustus 2022 de maatregel van bewaring opgeheven.
Eiser heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Op 2 augustus 2022 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend. Op 4 augustus 2022 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Op 10 augustus 2022 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de
Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a: Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d: niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Over grond 3a voert eiser aan dat hij Nederland is ingereisd om asiel aan te vragen. Hieraan is inherent dat hij niet voldoet aan de inreisvoorschriften.
4. De rechtbank oordeelt dat verweerder de zware grond 3a terecht aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd. Eiser is niet in het bezit van een identiteits- of grensoverschrijdingsdocument en niet is gebleken dat hij in het bezit was van een geldig visum. Eiser is dan ook niet op rechtmatige wijze Nederland binnengekomen. Dat eiser stelt dat hij als vluchteling is ingereisd, doet aan de feitelijke juistheid van de grond niet af.
5. Over zware grond 3m voert eiser aan dat hij rechtmatig verblijf heeft in Nederland omdat hij beroep heeft ingesteld tegen het overdrachtsbesluit en de rechtbank heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
6. Verweerder heeft, in lijn met jurisprudentie van de Afdeling1 in de maatregel van bewaring niet slechts een feitelijke toelichting gegeven bij zware grond 3m, maar ook
gemotiveerd waarom de bewaring in dit geval noodzakelijk is voor het realiseren van de in deze grond bedoelde overdracht. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de uiterste overdrachtstermijn ten tijde van het opleggen van de maatregel in de nabije toekomst lag aangezien de termijn op 4 augustus zou zijn verstreken. Dat eiser voordien beroep heeft ingesteld en heeft verzocht om een voorlopige voorziening doet daaraan niet af.
7. De lichte gronden heeft eiser niet gemotiveerd betwist waardoor deze vaststaan.
8. De zware gronden onder 3a en 3m en de lichte gronden onder 4c en 4d zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.2 Daarmee is het significante risico dat eiser zich aan de overdracht zal onttrekken gegeven.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
1. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
2 Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1190.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr.
S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.