ECLI:NL:RBDHA:2022:8287

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 augustus 2022
Publicatiedatum
18 augustus 2022
Zaaknummer
SGR 21/4479
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij Wajong-uitkering

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) waarbij haar Wajong-uitkering werd vastgesteld op €106,79 per maand. Het bezwaar van eiseres tegen dit besluit werd ongegrond verklaard. Tijdens de procedure heeft eiseres aangevoerd dat zij geen loon had ontvangen, terwijl verweerder dit baseerde op loongegevens van de werkgever.

Verweerder bracht aanvullende stukken in waaruit bleek dat eiseres tot en met december 2020 wel degelijk loon had ontvangen. Ter zitting erkende de gemachtigde van eiseres dit en gaf aan dat de definitieve vaststelling van de uitkering inmiddels had plaatsgevonden, waarbij de hoogte van de uitkering was aangepast.

Gezien deze feiten en de erkenning van eiseres dat zij loon heeft ontvangen, zijn partijen het erover eens dat er geen procesbelang meer is bij het beroep. De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk. De uitspraak is gedaan door rechter C.T. Aalbers op 5 augustus 2022.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/4479

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 augustus 2022 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. Ö. Arslan),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. A. Arabkhani).

Procesverloop

In het besluit van 6 januari 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres per 14 oktober 2020 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toegekend en de hoogte bepaald op € 106,79 per maand.
In het besluit van 25 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 12 juli 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 2000. Verweerder heeft op 14 oktober 2020 een aanvraag beoordeling arbeidsvermogen van eiseres ontvangen. In het primaire besluit is bepaald dat de hoogte van de Wajong-uitkering per die datum € 106,79 bruto per maand bedraagt, omdat eiseres inkomen ontvangt. Bij besluit van 16 februari 2020 heeft verweerder meegedeeld dat de Wajong-uitkering voorlopig als voorschot wordt betaald. Bij besluit van 5 maart 2021 is de Wajong-uitkering van eiseres over de periode van 14 oktober 2020 tot en met 31 december 2020 definitief berekend en is bepaald dat eiseres nog een bedrag van totaal € 99,22 bruto ontvangt. Eiseres heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.
2. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat verweerder inkomsten met de Wajong-uitkering moet verrekenen en dat hij daarvoor gebruik maakt van de loongegevens in de Polisadministratie, zoals die door de werkgever bij de Belastingdienst zijn opgegeven. Uit de Polisadministratie blijkt dat eiseres in de maanden september tot en met december 2020 inkomsten van [bedrijfsnaam] heeft ontvangen. Daarmee is rekening gehouden bij het bepalen van de hoogte van de uitkering per 14 oktober 2020. Verweerder heeft dit aan de hand van een berekening toegelicht.
3. Eiseres heeft in haar beroepschrift aangevoerd dat verweerder er ten onrechte van uitgaat dat zij inkomsten zou hebben genoten. Wellicht dat de werkgever loonbelasting heeft ingevoerd in de diverse systemen, maar feitelijk heeft zij geen loon uitbetaald gekregen.
4. Verweerder heeft op 29 juni 2022 aanvullende stukken in het geding gebracht, waaronder uitdraaien van bijschrijvingen op de rekening van eiseres. Uit deze stukken blijkt dat eiseres tot en met december 2020 inkomsten heeft ontvangen van [bedrijfsnaam] .
5. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres erkend dat eiseres tot en met december 2020 wel loon heeft ontvangen en dat uit de stukken bovendien blijkt dat inmiddels definitieve besluitvorming over de hoogte van de Wajong-uitkering over de periode tot en met december 2020 en de daarop volgende periode heeft plaatsgevonden
(waarbij de hoogte van de uitkering is gewijzigd). Op de zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat er onder die omstandigheden geen procesbelang meer is. De rechtbank zal het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.T. Aalbers, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Klaus, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.