ECLI:NL:RBDHA:2022:8289

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 augustus 2022
Publicatiedatum
18 augustus 2022
Zaaknummer
C/09/629178 / FA RK 22-2953
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253q BWArt. 1:253r BWArt. 1:277 BWArt. 1:253b lid 1 BWArt. 16 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging voogdij en herstel ouderlijk gezag moeder over minderjarige

De moeder verzocht de rechtbank om de voogdij van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering over haar minderjarige kind te beëindigen en haar zelf te belasten met het ouderlijk gezag.

De minderjarige, geboren in Suriname in 2007, had aanvankelijk alleen gezag van de vader volgens Surinaams recht omdat de ouders niet gehuwd waren. Na verhuizing van het kind naar Nederland kreeg de moeder van rechtswege medegezag. De rechtbank stelde vast dat de voogdij was ingesteld vanwege ondertoezichtstelling en de moeder tijdelijk niet in staat was het gezag uit te oefenen.

De moeder woont sinds 2017 in Nederland en het kind verblijft sinds 2018 bij haar en haar stiefvader. De voogdes gaf aan dat het kind veilig is en zich goed ontwikkelt bij de moeder. De rechtbank oordeelde dat het herstel van het gezag van de moeder in het belang van het kind is en dat zij duurzaam verantwoordelijk is voor verzorging en opvoeding.

De rechtbank besloot daarom de voogdij te beëindigen en de moeder te belasten met het ouderlijk gezag, met onmiddellijke ingang.

Uitkomst: De rechtbank beëindigt de voogdij en belast de moeder met het ouderlijk gezag over de minderjarige.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 22-2953
Zaaknummer: C/09/629178
Datum beschikking: 18 augustus 2022

Beëindiging voogdij

Beschikking op het op 20 april 2022 ingekomen verzoek van:

[X]

de moeder,
wonende te [woonplaats]
advocaat: mr. M. Lindhout.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
de gecertificeerde instelling, William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
de voogdes.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift met als bijlage een brief van de voogdes van 14 april 2022.
De minderjarige [minderjarige] heeft zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek.

Feiten

- Uit de moeder is geboren:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] ,
Suriname (hierna: [minderjarige] ).
- [Y] (de vader) heeft [minderjarige] erkend.
- Bij beschikking van 19 maart 2014 van rechtbank Amsterdam is [minderjarige]
onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd, als
laatst tot 25 maart 2019.
- Bij beschikking van rechtbank Amsterdam van 25 maart 2014 is [minderjarige] uit huis
geplaatst bij een pleeggezin.
- Bij beschikking van rechtbank Amsterdam van 20 juni 2018 is de vader uit het
ouderlijk gezag ontheven. Bij dezelfde beschikking is de William Schrikker
Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met de voogdij over
[minderjarige] belast.
- Bij beschikking van 4 juni 2019 heeft het gerechtshof van Amsterdam de
beschikking van 20 juni 2018 van rechtbank Amsterdam bekrachtigd.
- [minderjarige] verblijft bij zijn moeder en stiefvader.

Verzoek

De moeder verzoekt de voogdij van de gecertificeerde instelling over na te melden minderjarige te beëindigen en de moeder zelf te belasten met het ouderlijk gezag.

Beoordeling

Uit de feiten leidt de rechtbank af dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] ten tijde van zijn geboorte in Suriname was. Op grond van het bepaalde in artikel 16 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is voor de vraag wie destijds het gezag over [minderjarige] heeft verkregen daarom Surinaams recht van toepassing. Omdat de ouders van [minderjarige] niet gehuwd waren, was naar Surinaams recht alleen de vader met het gezag over [minderjarige] belast.
Nadien is de gewone verblijfplaats van [minderjarige] kennelijk verplaatst naar Nederland. Gelet op het bepaalde in artikel 16 leden Pro 3 en 4 van het HKBV 1996 jo 1:253b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de moeder vanaf het moment dat [minderjarige] zijn gewone verblijfplaats in Nederland kreeg, van rechtswege mede het gezag verkregen.
De rechtbank stelt vast dat zowel de rechtbank Amsterdam als het gerechtshof Amsterdam er bij hun beslissingen van 20 juni 2018 respectievelijk 4 juni 2019 van uit zijn gegaan dat de vader het gezag over [minderjarige] ten tijde van die beschikkingen alleen uitoefende. Kennelijk werd het gezag van de moeder op grond het bepaalde in artikel 1:253r lid 1 BW als geschorst beschouwd vanwege de (tijdelijke) onmogelijkheid van de moeder het gezag uit te oefenen of de onbekendheid met de verblijfplaats van de moeder.
Op grond van artikel 1:253q jo 1:253r BW kan de moeder, wanneer de grond voor die schorsing is vervallen, de rechtbank verzoeken haar opnieuw te belasten met het gezag. Op grond van artikel 253r lid 2, tweede volzin, BW kan het gezag van de moeder in dat geval alleen worden hersteld als voldaan is aan de voorwaarden van artikel 1:277 BW Pro, dus als herstel van het gezag van de moeder in het belang van de minderjarige is èn de moeder duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat is te dragen.
Uit hetgeen naar voren is gebracht blijkt dat [minderjarige] tot [datum] 2018 bij het pleeggezin verbleef. De moeder woonde aanvankelijk nog in Suriname en is in 2017 naar Nederland verhuisd. Sinds [datum] 2018 verblijft [minderjarige] bij zijn moeder. [minderjarige] is heel gelukkig bij moeder en ontwikkelt zich ook goed. [minderjarige] heeft nog goed contact met het pleeggezin, waar hij af en toe verblijft in de vakanties. De huidige voogdes heeft in haar brief van 14 april 2022 aangegeven dat het gezag van [minderjarige] weer terug kan naar zijn moeder, omdat [minderjarige] voldoende veilig is bij moeder en stiefvader. Hij ontwikkelt zich goed op alle levensgebieden.
Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat het herstel van het gezag van de moeder in het belang van de minderjarige is èn de moeder duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat is te dragen. De rechtbank zal het verzoek van de moeder daarom toewijzen.

Beslissing

De rechtbank:
beëindigt de voogdij van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering over de minderjarige:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] ,
Suriname;
belast de moeder met de uitoefening van het ouderlijk gezag over voormelde minderjarige;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Aldus gegeven door mr. A. Emmens, kinderrechter, bijgestaan door E. Verweij-Steen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 augustus 2022.