ECLI:NL:RBDHA:2022:836

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 januari 2022
Publicatiedatum
8 februari 2022
Zaaknummer
20-6999
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • Meijers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid in vreemdelingenzaak

Verzoeker, een persoon uit Libië, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als familie- of gezinslid. Dit verzoek werd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen bij het primaire besluit van 14 september 2020. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit bezwaar werd op 29 oktober 2020 ongegrond verklaard. Vervolgens stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank.

De voorzieningenrechter werd verzocht een voorlopige voorziening te treffen tijdens de beroepsprocedure. Echter, bij uitspraak van 31 januari 2022 heeft de rechtbank het ingestelde beroep ongegrond verklaard, waarmee de beroepsprocedure is afgerond. Hierdoor is er geen lopende bezwaar- of beroepsprocedure meer.

Op grond hiervan verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2022. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroepsproces reeds is afgerond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/6999

uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 januari 2022 in de zaak tussen

[verzoeker] , te Libië, verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Orhan),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag tot afgifte van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel “ verblijf als familie-of gezinslid” afgewezen.
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Voordat een zitting heeft plaatsgevonden, heeft verweerder in het besluit van 29 oktober 2020 (het bestreden besluit) het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.
2. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Bij uitspraak van vandaag [2] heeft de rechtbank het hiervoor genoemde door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter stelt dan ook vast dat er geen bezwaar- dan wel beroepsprocedure meer loopt, zodat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Meijers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.M. van den Berg, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
31 januari 2022.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Zaaknummer AWB 20/8771.