Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], verzoeker
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
driehonderdnegenenzeventig euro en 50 cent).
Rechtbank Den Haag
Verzoeker diende een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf met het doel 'familie en gezin', welke op 30 juni 2021 werd afgewezen door verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar.
Op 11 juli 2022 nam verweerder alsnog een beslissing op het bezwaar en verklaarde het ongegrond, waarbij tevens een bestuurlijke dwangsom werd vastgesteld. Naar aanleiding hiervan trok verzoeker het beroep tegen het niet tijdig beslissen in en verzocht om vergoeding van de gemaakte proceskosten.
De rechtbank stelde vast dat verweerder aan verzoeker was tegemoetgekomen door alsnog een besluit te nemen tijdens het beroep en oordeelde dat het verzoek om proceskostenvergoeding gegrond was. De proceskosten werden vastgesteld op €379,50, gebaseerd op de wegingsfactor 'licht' omdat het beroep alleen betrekking had op het niet tijdig nemen van een besluit.
Verder wees de rechtbank erop dat verzoeker wegens betalingsonmacht was vrijgesteld van griffierecht, waardoor verweerder niet verplicht was dit te vergoeden. De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van de proceskosten aan verzoeker.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van €379,50 aan proceskosten na intrekking van het beroep wegens alsnog genomen besluit.