ECLI:NL:RBDHA:2022:8453

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 augustus 2022
Publicatiedatum
23 augustus 2022
Zaaknummer
22/3989
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij Participatiewet-uitkeringsweigering

Verzoeker heeft een aanvraag voor een uitkering op grond van de Participatiewet gedaan die door het college van burgemeester en wethouders van Leiden is afgewezen. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt en verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd om het besluit te schorsen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld en vastgesteld dat er geen sprake is van een acute financiële noodsituatie. Uit de overgelegde bankafschriften en correspondentie blijkt dat de huur tot en met juni 2022 is voldaan en dat er geen huurachterstand van meer dan een maand bestaat. Ook is niet gebleken van een achterstand in betaling van de zorgverzekeringspremie.

Omdat er geen dreigende ontruiming of faillissement is en het geschil financieel van aard is, is het spoedeisend belang niet aanwezig. Daarnaast is het bestreden besluit niet evident onrechtmatig. Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en evidente onrechtmatigheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/3989

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 augustus 2022 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. R.A. Kamphuis),
en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder

(gemachtigde: O.J. Massalova).

Procesverloop

In het besluit van 10 mei 2022 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker van 13 april 2022 van verzoeker om een uitkering ingevolge de Participatiewet (Pw) afgewezen.
Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 augustus 2022 op zitting behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, alsmede door A. Toma tolk Koerdisch Sorani. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3. Verzoeker heeft hierover aangevoerd dat hij al sinds medio 2021 geen inkomen heeft en sindsdien leeft van leningen en giften van familie en vrienden. Deze mogelijkheid is inmiddels uitgeput en er beginnen betalingsachterstanden te ontstaan bij zijn zorgverzekeraar en de verhuurder. Hij stelt dat de huur over de periode mei 2022 tot en met augustus 2022 niet is betaald. Hij heeft bankafschriften overgelegd over de periode van 1 juli 2021 tot en met 11 juni 2022 en een brief van de verhuurder van 10 juli 2022 (brief) waarin samengevat staat dat de huur voor de eerste van de maand vooruit moet worden betaald en dat een maand huur niet is betaald. Verzoeker wordt gevraagd binnen 15 dagen de huur te betalen. Hij is bang dat hij zijn huis kwijt zal raken en dakloos zal worden.
4.1
Uit de door verzoeker overgelegde bankafschriften over de periode 1 juli 2021 tot en met 11 juni 2022 blijkt dat voor het laatst in de maand april 2022 huur van zijn rekening is afgeschreven. Uit de brief van de verhuurder leidt de voorzieningenrechter af dat de huur nog tot en met juni 2022 is voldaan. Van een grote huurachterstand en dreigende ontruiming van de woning is niet gebleken. Nu verzoeker ter zitting heeft verklaard dat hij zijn huurtoeslag gebruikt om de premie van zijn ziektekostenverzekering te betalen, is niet gebleken van een achterstand in betaling van die premie.
4.2
Uit 4.1 volgt dat geen sprake van een acute financiële noodsituatie.
5. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Of de grond waarop de afwijzende beslissing van verweerder is gebaseerd bij het besluit op bezwaar in stand kan blijven, laat de voorzieningenrechter in het midden. Op dit moment ziet de voorzieningenrechter onvoldoende reden om er van uit te gaan dat de afwijzing bij het besluit op bezwaar niet stand zal kunnen houden.
6. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en dat de afwijzing ook niet evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoeker te laten uitvallen.
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.S.M. Kraan, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2022.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.