ECLI:NL:RBDHA:2022:8476
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bijzondere bijstand fysiotherapie
Verzoeker heeft een aanvraag voor bijzondere bijstand voor fysiotherapiekosten ingediend, welke door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag is afgewezen. Vervolgens werd het bezwaar van verzoeker tegen deze afwijzing niet-ontvankelijk verklaard, waarna verzoeker beroep instelde en een voorlopige voorziening vroeg.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek op grond van artikel 8:81 Awb Pro en stelde vast dat er geen sprake was van een spoedeisend belang. Verzoeker ontvangt een bijstandsuitkering met een korting van 5% en kan daardoor in zijn elementaire levensonderhoud voorzien. Er zijn geen onomkeerbare gevolgen zoals dreigende uithuisplaatsing of afsluiting van nutsvoorzieningen.
Hoewel het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard en een nieuw besluit zal volgen, achtte de voorzieningenrechter het niet noodzakelijk om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker kan het nieuwe besluit afwachten en zelf bepalen of hij de hoorzitting bijwoont.
Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.