ECLI:NL:RBDHA:2022:8491
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning studie na afmelding erkend referent is rechtmatig
Eiser had een verblijfsvergunning voor studie die werd ingetrokken nadat zijn onderwijsinstelling hem per 31 augustus 2020 had afgemeld wegens vermeend stoppen met de studie. Eiser betoogde dat de coronapandemie en persoonlijke omstandigheden, waaronder ziekte, tot studievertraging hadden geleid en dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met deze omstandigheden.
De staatssecretaris stelde dat eiser Nederland inmiddels had verlaten en geen studie meer volgde, maar liet dit standpunt tijdens de zitting vallen. De rechtbank stelde vast dat eiser nog belang had bij de zaak omdat hij aanwezig was en een nieuwe inschrijving had lopen.
De rechtbank oordeelde dat de intrekking terecht was omdat eiser vanaf de afmelding niet meer voldeed aan de vergunningvoorwaarden. De verantwoordelijkheid voor beoordeling van persoonlijke omstandigheden ligt primair bij de onderwijsinstelling, niet bij de staatssecretaris. Verweerder had wel degelijk naar individuele omstandigheden gekeken en geen bijzondere omstandigheden vastgesteld die intrekking zouden verhinderen.
Het beroep op de Studierichtlijn slaagde niet omdat de specifieke voorwaarden voor voortzetting van de verblijfsvergunning niet waren vervuld. Het verzoek om voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en verweerder hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning voor studie wordt ongegrond verklaard.