ECLI:NL:RBDHA:2022:8683
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot beëindiging zorgmachtiging op grond van Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg
Betrokkene is op 17 december 2021 een zorgmachtiging opgelegd op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). De advocaat van betrokkene heeft namens hem verzocht deze zorgmachtiging te beëindigen, omdat betrokkene grotendeels geen alcohol meer gebruikt en lichamelijk stabiel is. De officier van justitie heeft dit verzoek overgenomen en de rechtbank verzocht hierover te beslissen.
Tijdens de zitting op 3 augustus 2022 zijn betrokkene, zijn advocaat, behandelaren en verpleegkundigen gehoord. De behandelaren hebben aangegeven dat betrokkene een patroon vertoont van terugval in alcoholgebruik na ontslag uit opname en dat er sprake is van ernstige psychische stoornissen, waaronder een neurocognitieve stoornis. Er is geen ziektebesef en onvoldoende inzicht, waardoor vrijwillige zorg niet mogelijk is.
De rechtbank heeft op basis van de medische verklaringen en het verhandelde geoordeeld dat de doelen van de verplichte zorg nog niet zijn bereikt en dat het risico op ernstig nadeel bij beëindiging van de zorgmachtiging groot is. De zorgmachtiging blijft daarom van kracht tot de oorspronkelijke einddatum, 17 december 2022. Betrokkene kan binnen de huidige zorgmachtiging zijn ernstig zieke partner bezoeken onder voorwaarden.
De rechtbank wijst het verzoek tot beëindiging van de zorgmachtiging af en benadrukt dat het neuropsychologisch onderzoek nog loopt, wat kan leiden tot verdere zorgafstemming.
Uitkomst: Het verzoek tot beëindiging van de zorgmachtiging wordt afgewezen en de zorgmachtiging blijft van kracht tot 17 december 2022.