ECLI:NL:RBDHA:2022:8704
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiseres diende op 6 december 2021 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat op grond van de Dublinverordening was vastgesteld dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiseres stelde dat het besluit in strijd was met het verdedigingsbeginsel en dat verweerder op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening haar aanvraag had moeten behandelen vanwege bijzondere omstandigheden.
De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende had onderbouwd dat sprake was van schending van het verdedigingsbeginsel, aangezien haar gemachtigde toegang had tot het digitale dossier en zij haar beroepsgronden had kunnen indienen. Tevens was er geen sprake van een onevenredige hardheid die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigde. De banden met haar dochter en kleindochter waren onvoldoende om de overdracht aan Frankrijk te weerhouden.
De rechtbank verwierp het beroep en wees de verwijzing naar een eerdere uitspraak af omdat de feiten niet vergelijkbaar waren. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het besluit om haar asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.