ECLI:NL:RBDHA:2022:8728
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij intrekking verblijfsvergunning familie- of gezinslid
Verzoeker had een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als familie- of gezinslid bij een derde. Deze vergunning werd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid ingetrokken met ingang van 13 november 2019. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze intrekking, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter besloot het verzoek om een voorlopige voorziening af te wijzen omdat op dezelfde dag uitspraak werd gedaan in de bodemzaak, waardoor een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was. De voorzieningenrechter veroordeelde de staatssecretaris wel tot betaling van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 759,00, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De uitspraak werd gedaan door rechter A.C.J. van Dooijeweert en griffier S.D.C.J. Verheezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot betaling van € 759 aan proceskosten.