ECLI:NL:RBDHA:2022:8930

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2022
Publicatiedatum
6 september 2022
Zaaknummer
NL22.9816
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening visum kort verblijf voor bijwonen bruiloft kleinzoon

Verzoekster heeft een visum voor kort verblijf aangevraagd om de bruiloft van haar kleinzoon in Nederland bij te wonen. Dit verzoek werd door de minister van Buitenlandse Zaken afgewezen wegens twijfels over het doel van het verblijf, de middelen van bestaan en het vestigingsgevaar.

Verzoekster maakte bezwaar tegen deze afwijzing en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen zodat zij toch naar Nederland kon reizen. De voorzieningenrechter oordeelde dat toewijzing van een dergelijke voorlopige voorziening een voldongen feit zou betekenen voor de verweerder en daarom alleen in uitzonderlijke gevallen mogelijk is.

De voorzieningenrechter concludeerde dat verweerder terecht twijfelt aan het terugkeervoornemen van verzoekster en dat het belang van het voorkomen van illegale migratie zwaarder weegt dan het belang van verzoekster om de bruiloft bij te wonen. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor het verlenen van een visum kort verblijf wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.9816

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster,

v-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S.N. Arikan),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Schoot).

Procesverloop

In het besluit van 16 mei 2022, verzonden op 20 mei 2022, (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster van 10 mei 2022 tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.
Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft op 25 mei 2022 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt verweerder op te dragen om een visum voor kort verblijf aan verzoekster te verlenen, dan wel haar te behandelen als ware zij in het bezit van het visum.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het belang van verzoekster bij het treffen van een voorziening dient in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure te worden afgewogen tegen het belang van verweerder. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank niet in een eventuele bodemprocedure.
2. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder zitting, als onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad.
3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in dit geval sprake van onverwijlde
spoed omdat verzoekster de bruiloft van haar kleinzoon in Nederland wenst bij te wonen op [datum] . De voorzieningenrechter oordeelt dat partijen door het achterwege laten van een zitting niet in hun belangen zijn geschaad. Daarbij is van belang dat partijen voldoende gelegenheid hebben gehad om hun standpunten schriftelijk naar voren te brengen. De voorzieningenrechter zal dan ook met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb uitspraak doen zonder zitting.
4. Verweerder heeft de aanvraag van verzoekster in het bestreden besluit afgewezen, omdat verzoekster het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond en omdat zij niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken voor de duur van het verblijf en de terugreis naar Turkije.
5. Verzoekster voert aan dat het doel van haar verblijf wel aangetoond is. Zij wil de bruiloft van haar kleinzoon bijwonen op [datum] in Amsterdam. Ook heeft zij wel voldoende middelen voor de duur van haar verblijf en haar terugkeer, omdat haar in Nederland wonende kleinzoon en schoonzoon voor haar garant staan. Ze zal bij haar dochter en schoonzoon logeren. Verzoekster stelt dat zij een sociale binding met Turkije heeft omdat zij daar met haar echtgenoot woont.
6. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat de gevraagde voorlopige voorziening geen voorlopig karakter heeft, omdat deze ertoe strekt de komst van verzoekster naar Nederland mogelijk te maken, hetgeen in het kader van de visumprocedure ter beoordeling van verweerder is. Toewijzing van de gevraagde voorziening betekent dat verweerder voor een voldongen feit wordt gesteld. Een dergelijk verzoek om een voorlopige voorziening zal daarom slechts in uitzonderlijke gevallen voor toewijzing in aanmerking komen, namelijk in die gevallen waarin de nadelige gevolgen van de afwijzing van het verzoek van verzoekster in verhouding tot het belang van verweerder bij de handhaving van die afwijzingen zo onevenredig zijn dat het besluit op bezwaar niet kan worden afgewacht. Volgens vaste jurisprudentie is voor een dergelijke vergaande beslissing in beginsel slechts plaats indien een zwaarwegend spoedeisend belang daartoe noopt en sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
7. Uit het verweerschrift blijkt dat verweerder ook twijfelt over het voornemen van verzoekster om terug te keren naar Turkije vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Verweerder betrekt daarbij dat verzoekster in Turkije geen dienstverband heeft, niet over een substantieel en regelmatig inkomen beschikt en vrijstelling heeft gevraagd van het griffierecht. Daarmee is er volgens verweerder geen sprake van een sterke economische binding met Turkije. Verweerder vindt de sociale binding van verzoekster ook niet sterk genoeg, ondanks dat haar echtgenoot in Turkije niet meekomt naar Nederland. Het is daarom niet op voorhand duidelijk dat verweerder verzoeksters bezwaar gegrond zal verklaren.
8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in redelijkheid kan twijfelen over het voornemen van verzoekster om tijdig terug te keren naar Turkije. Daarom is niet gebleken dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Gelet daarop weegt het belang van verweerder om illegale migratie te voorkomen, zwaarder dan het belang van verzoekster om aanwezig te zijn op de bruiloft van haar kleinzoon. Slechts in zeer klemmende situaties is een uitzondering mogelijk op de regel dat een onomkeerbare voorziening het bestek van een voorlopige voorzieningenprocedure te buiten gaat. Het bijwonen van een bruiloft zal slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden als zodanig worden aangemerkt.
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.P. van Straelen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.