ECLI:NL:RBDHA:2022:8946
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij intrekking verblijfsvergunning familie- of gezinslid
Verzoeker had een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'verblijf als familie- of gezinslid' bij een referente. Deze vergunning werd bij een besluit van 16 juni 2020 ingetrokken met ingang van 1 november 2019, en er werd een terugkeerbesluit opgelegd.
Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, dat bij besluit van 13 januari 2021 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde verzoeker beroep in tegen dit bestreden besluit en verzocht hij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat nu het beroep in de hoofdzaak ongegrond was verklaard door de meervoudige kamer, er geen grond meer was voor het treffen van de voorlopige voorziening. Daarom werd het verzoek afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep in de hoofdzaak ongegrond is verklaard.