ECLI:NL:RBDHA:2022:9076
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting na zwangerschap en interstatelijk vertrouwensbeginsel Spanje
Verzoekster, een Syrische vrouw die op 10 november 2021 is bevallen, heeft een aanvraag ingediend voor uitstel van vertrek naar Spanje op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen omdat de wettelijke termijn van zes weken na de bevalling was verstreken en verweerder geen reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro zag vanwege het interstatelijk vertrouwensbeginsel met Spanje.
Verzoekster maakte bezwaar en verzocht de rechtbank om een voorlopige voorziening om haar uitzetting te verbieden gedurende de bezwaarprocedure. Zij stelde dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met haar gezondheid en de kwetsbaarheid van haar gezin, en dat zij recht had op zes weken uitstel. Verweerder erkende dat de vermelding van frustratie van de procedure onterecht was opgenomen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek om uitstel van vertrek na zes weken na de bevalling niet meer toewijsbaar is en dat verzoekster onvoldoende medische stukken had overgelegd om het risico op schending van artikel 3 EVRM Pro aannemelijk te maken. Ook was het interstatelijk vertrouwensbeginsel met Spanje niet doorbroken. Daarom had het bezwaar geen redelijke kans van slagen en werd het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen uitzetting is afgewezen vanwege het ontbreken van medische onderbouwing en het interstatelijk vertrouwensbeginsel met Spanje.