ECLI:NL:RBDHA:2022:9184
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning studie wegens afmelding onderwijsinstelling bevestigd
Eiser, van Bengaalse nationaliteit, had een verblijfsvergunning voor studie geldig tot november 2024. Deze vergunning werd met terugwerkende kracht ingetrokken per 31 augustus 2020 nadat de onderwijsinstelling had gemeld dat eiser was afgemeld.
Eiser voerde aan dat de intrekking onzorgvuldig was en dat studievertraging door corona een reden was om niet in te trekken. De rechtbank oordeelde dat de onderwijsinstelling de enige is die kan beoordelen of studievertraging verschoonbaar is en dat verweerder terecht de vergunning introk.
De rechtbank vond dat verweerder zorgvuldig had gehandeld, dat eiser voldoende gelegenheid had gehad om zijn zienswijze te geven en dat verweerder niet verplicht was nadere informatie op te vragen of een belangenafweging te maken. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning studie wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.