Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende persoon geboren in 1999, werd door verweerder een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel werd genomen vanwege het significant risico dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder baseerde zich op zware gronden 3a, 3b, 3d en lichte gronden 4a, 4c en 4d. Eiser betwistte slechts de zware grond 3b en lichte grond 4c.
De rechtbank oordeelde dat de overige gronden voldoende waren om het significant risico aan te nemen en dat deze de maatregel van bewaring konden dragen. Eiser stelde dat een lichter middel, zoals een meldplicht, passend zou zijn geweest, mede omdat hij bij vrienden verbleef en zich inspande om niet in aanraking met justitie te komen. Verweerder stelde dat het adres van eiser niet bekend was en dat eiser zich niet had gemeld tijdens zijn verblijf bij vrienden.
De rechtbank concludeerde dat verweerder voldoende had gemotiveerd dat geen lichter middel dan bewaring doeltreffend kon zijn. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.