Eiseres, een Indonesische vreemdeling, werd op 18 augustus 2022 opgehouden door de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Zij stelde dat de ophouding onrechtmatig was omdat een machtiging tot binnentreding ontbrak en er geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond.
De rechtbank stelde vast dat de machtiging tot binnentreding later in het dossier was opgenomen, waardoor het bezwaar tegen het ontbreken daarvan niet slaagde. Verder concludeerde de rechtbank dat er voldoende objectieve feiten waren die een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleverden, mede gelet op de bevindingen van de Haagse Pandbrigade.
Eiseres voerde ook aan dat zij op een verkeerde wettelijke grondslag was opgehouden, omdat haar identiteit al bekend was in het interne bevragingssysteem van de politie. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek naar identiteit en verblijfsrechtelijke positie nog niet was afgerond en dat de ophouding op de juiste grondslag was gebaseerd.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.