ECLI:NL:RBDHA:2022:9274
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Veroordeling staatssecretaris tot vergoeding proceskosten na intrekking besluit verblijfsvergunning
Verzoekster diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris werd afgewezen in een besluit van 17 september 2021. Na het ongegrond verklaren van het bezwaar op 7 mei 2022 stelde verzoekster beroep in tegen dit besluit. Vervolgens trok de staatssecretaris het bestreden besluit op 29 augustus 2022 in en gaf aan opnieuw op het bezwaar te zullen beslissen. Tevens bood hij aan de door verzoekster gemaakte proceskosten te vergoeden.
Naar aanleiding hiervan trok verzoekster het beroep in met het verzoek om proceskostenvergoeding. De rechtbank oordeelde dat de intrekking van het besluit een tegemoetkoming aan verzoekster vormde, waardoor het verzoek om proceskostenvergoeding kennelijk gegrond was. De rechtbank veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van € 759,- aan proceskosten, gebaseerd op de kosten van rechtsbijstand voor het indienen van het beroepschrift.
De rechtbank wees er verder op dat de proceskosten voor de voorlopige voorziening niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat hierover nog geen uitspraak is gedaan. Ook wees de rechtbank verzoekster erop dat het betaalde griffierecht van € 184,- door de staatssecretaris moet worden vergoed, waarvoor verzoekster zich rechtstreeks tot de staatssecretaris moet wenden.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van € 759,- aan proceskosten na intrekking van het besluit.