ECLI:NL:RBDHA:2022:9343

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 januari 2022
Publicatiedatum
15 september 2022
Zaaknummer
NL21.20283
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 59 VwArt. 5.1a VbArt. 5.1b VbDublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van Dublinverordening

Eiser, een Kameroense nationaliteit dragende vreemdeling, werd op 27 december 2021 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht op basis van de Dublinverordening en een significant risico op het ontduiken van toezicht.

Eiser betwistte de toepasselijkheid van de Dublinverordening en stelde dat hij slechts op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, in bewaring had mogen worden gesteld. De rechtbank oordeelde echter dat de Dublinverordening wel degelijk van toepassing is, mede vanwege lopende communicatie met Spanje over de asielclaim van eiser.

De rechtbank achtte de door verweerder aangevoerde zware gronden, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen en het onttrekken aan toezicht, feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. Het verzoek om een lichter middel werd verworpen omdat eiser niet als voldoende traceerbaar werd beschouwd.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.20283
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Guman), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: R. Hopman).

Procesverloop

Bij besluit van 27 december 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2022. Eiser heeft een afstandsverklaring getekend, waardoor hij niet aanwezig is tijdens de zitting. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Kameroense nationaliteit en is geboren op [2000] .
De grondslag van de maatregel van bewaring
2. Eiser stelt dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is. De maatregel is namelijk opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw. Deze grond is van toepassing op zogenoemde Dublin-claimanten. Volgens eiser is de Dublinverordening echter niet op hem van toepassing. Om die reden had verweerder hem slechts op de grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vw in bewaring mogen stellen. Aangezien verweerder dat niet heeft gedaan, is de maatregel van meet af aan onrechtmatig geweest.
3. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Een vreemdeling kan op de grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw in bewaring worden gesteld, als er een concreet aanknopingspunt
is dat hij op grond van de Dublinveorrdening aan een andere lidstaat van de Europese Unie zal kunnen worden overgedragen.1 In het geval van eiser is zo’n aanknopingspunt aanwezig. Immers, Nederland heeft op 21 december 2021 een claimverzoek gestuurd naar Spanje.
Spanje heeft dit verzoek op 29 december 2021 afgewezen. Dit omdat Spanje stelt niet verantwoordelijk te zijn voor de asielaanvraag van eiser. Deze omstandigheid op zich maakt niet dat de Dublinverordening niet meer op eiser van toepassing zou zijn. Nederland heeft namelijk op 30 december 2021 om een second opinion gevraagd bij Spanje. Dit is een handeling op grond van de Dublinverordening. Eén en ander leidt ertoe dat de Dublinverordening bij aanvang van de maatregel van bewaring en nog steeds op eiser van toepassing is. De maatregel is daarom terecht gebaseerd op artikel 59a, eerste lid, van de Vw.
Bewaringsgronden
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden2 vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en
nationaliteit;
en als lichte gronden3 vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser alle zware gronden en de lichte grond onder 4c betwist.
6. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden onder 3a en 3b feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn.
Eiser beschikt niet over een inreisstempel van het Schengengebied en heeft zich niet gehouden aan de verplichting die op hem rust om zich in een andere lidstaat beschikbaar te houden voor de beoordeling van zijn asielaanvraag of de uitvoering van een hem aldaar opgelegde terugkeerverplichting. Eiser is dus niet op de voorgeschreven wijze Nederland binnen gekomen.
Daarnaast heeft eiser zich op 18 juli 2021 aangemeld in Ter Apel voor een asielaanvraag, maar hij is, vóórdat de asielintake had plaatsgevonden, met onbekende bestemming vertrokken. Eiser heeft zich dus in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen onttrokken.
1. Artikel 5.1a, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
2 Artikel 5.1b, derde lid, van het Vb.
3 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
7. De zware gronden onder 3a en 3b zijn voldoende om aan te nemen dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken en kunnen de maatregel van bewaring al dragen. De geschilpunten over de overige gronden van bewaring behoeven daarom geen bespreking.
Lichter middel
8. Eiser stelt verder dat verweerder had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de inbewaringstelling. Eiser heeft namelijk een vaste woon- en/of verblijfplaats in het asielzoekerscentrum in Ter Apel. Daar had hij ook kunnen verblijven in de periode dat hij nu in bewaring is gesteld.
9. De rechtbank oordeelt als volgt. Verweerder heeft toegelicht dat een eventueel verblijf in een aanmeldcentrum of een opvanglocatie niet gelijk te stellen is met een vaste woon- of verblijfplaats. Ook heeft eiser de locatie eerder met onbekende bestemming verlaten. Dit duidt er niet op dat eiser voor verweerder voortdurend traceerbaar is en dat een meldplicht zal volstaan om het vrijwillige vertrek van eiser te bewerkstelligen. Verweerder heeft daarom terecht geen aanleiding gezien om aan eiser een lichter middel op te leggen dan de maatregel van bewaring. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
11 januari 2022
en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.