ECLI:NL:RBDHA:2022:9420

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 augustus 2022
Publicatiedatum
16 september 2022
Zaaknummer
NL22.6984
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielverzoek wegens ongeloofwaardige verklaringen over cultlidmaatschap en mensenhandel

Eiser, een Nigeriaanse nationaliteit dragende vreemdeling, vroeg asiel aan op grond van dwanglidmaatschap aan een cultgroep en bedreigingen door een mensenhandelaar. Hij stelde dat hij onder dwang lid werd van de [groepering 1] na een gewelddadige inwijding en later problemen kreeg met deze groepering en een mensenhandelaar die hem naar Europa bracht.

De staatssecretaris wees het asielverzoek af wegens ongeloofwaardigheid van de verklaringen over het cultlidmaatschap en de problemen met de mensenhandelaar. De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat de tegenstrijdigheden in eisers verklaringen en de onlogische elementen in zijn verhaal de geloofwaardigheid ondermijnden.

Zo vond de rechtbank het onwaarschijnlijk dat eiser kort na een zware mishandeling al leidinggevende taken uitvoerde binnen de cult, en dat hij tegenstrijdig verklaarde over het overlijden van zijn vader en het moment van weigering van moordopdrachten. Ook de inconsistenties over het contact met de mensenhandelaar en het ontbreken van huisbezoeken door cultleden waren doorslaggevend.

De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht het asielverzoek als ongegrond heeft afgewezen en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens ongeloofwaardige verklaringen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.6984

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

v-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.P. de Boo).

ProcesverloopBij besluit van 24 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Eisers gemachtigde heeft via een beeldverbinding deelgenomen aan de zitting. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser stelt geboren te zijn op [geboortedag] 2001 en de Nigeriaanse nationaliteit te bezitten. Hij verblijft als vreemdeling in Nederland en heeft op 2 februari 2021 een asielaanvraag ingediend.
2. Aan zijn asielaanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij onder dwang lid is geworden van de [groepering 1] , een cultgroep in [plaats] . Hij is op 7 november 2015 door gewapende mannen weggevoerd van een verjaardagfeest, waarna hij door een inwijding lid werd van de [groepering 1] . Eiser wist aan acties en moordopdrachten te ontkomen tot er een conflict ontstond tussen de [groepering 1] en een andere groepering, de [groepering 2] . Op 4 of 5 januari 2016 zijn drie mensen uit eisers eskadron gedood en kreeg eiser de opdracht om leden van de [groepering 2] te vermoorden. Eiser heeft zich onttrokken aan deze opdracht door niet te verschijnen op de bijeenkomst waar de uitvoering werd georganiseerd. Zowel leden van de [groepering 1] , als van de [groepering 2] , zijn op zoek naar eiser. Eiser zag zich genoodzaakt Nigeria te verlaten, nadat zijn vader op 17 januari 2016 is gedood. Hij is ondergedoken en heeft Nigeria op 27 februari 2016 verlaten met de hulp van een mensensmokkelaar, Ramani Obas.
3. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. [1] Hij vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig, maar niet dat eiser onder dwang lid is geworden van de [groepering 1] en hij problemen heeft met deze cult. Ook vindt verweerder het ongeloofwaardig dat eiser problemen heeft met een mensenhandelaar. Dit maakt volgens verweerder dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
Waarom is eiser het niet eens met verweerder?
4. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte stelt dat het ongeloofwaardig is dat hij gedwongen is lid te worden van de [groepering 1] en hij problemen met de cult heeft door zijn vertrek. Ook vindt verweerder het ten onrechte ongeloofwaardig dat hij problemen heeft met de mensenhandelaar die hem naar Europa heeft gebracht. De rechtbank gaat hieronder – voor zover nodig – in op de specifieke argumenten die eiser heeft aangedragen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Lidmaatschap van de [groepering 1]
5. Verweerder vindt het ongeloofwaardig dat eiser onder dwang lid is geworden van de [groepering 1] . Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser heeft verklaard ernstig te zijn mishandeld maar kort daarop anderen – met geweld – moest aanzetten om naar bijeenkomsten te gaan. Volgens verweerder is dit vreemd omdat het in de reden ligt dat eiser tijd nodig had om te herstellen. Ook de reden waarom [A] – die al lid was van de cult – voor eiser koos, doet volgens verweerder afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn gedwongen lidmaatschap. Uit eisers verklaringen volgt dat leden van de cult herkenbaar zijn aan hun stoere gedrag, terwijl [A] eiser heeft gekozen omdat eiser netjes was en boeken las. Daarnaast weegt verweerder mee dat eiser al eerder meerdere keren is benaderd om zich bij een cult aan te sluiten, maar dit zonder problemen heeft geweigerd. Verweerder vindt het vreemd dat bij die keren geen dwang is uitgeoefend. Tot slot vindt verweerder het opmerkelijk dat eiser al na een maand leider is geworden van zijn eskadron.
5.1.
Mede gelet op deze motivering ziet de rechtbank in wat eiser heeft aangevoerd in beroep, geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat verweerder het gedwongen lidmaatschap geloofwaardig had moeten vinden. Eiser heeft in het vrije relaas in het nader gehoor verklaard dat hij tijdens de inwijding keihard is geslagen en geschopt, dat hij bloedde, zijn ribben waren gebroken, zijn rug kapot was gemaakt en hij na de inwijding half dood was. Los van de vraag of eiser bij de inwijding botbreuken of kneuzingen had opgelopen, blijkt uit eisers verklaringen dat zijn conditie zodanig was dat het in de rede lag dat eiser hersteltijd nodig had om fysieke inspanningen te kunnen verrichten. Dit maakt dat verweerder het vreemd heeft kunnen vinden dat eiser kort na zijn inwijding opdrachten heeft moeten uitvoeren waarbij hij geweld moest toepassen. Ook heeft verweerder het vreemd kunnen vinden dat eiser is geselecteerd omdat hij netjes gekleed was en geletterd. Behalve dat eiser uit eigen beweging heeft verklaard dat leden van de cult zich stoer gedroegen, heeft hij in het nader gehoor ook diverse keren verklaard dat hij de leden van zijn eskadron berichten stuurde met instructies. Dit maakt dat eiser niet gevolgd kan worden in zijn stelling dat de leden van zijn eskadron analfabeet waren. Ook vindt verweerder het niet ten onrechte vreemd dat eiser binnen een maand een leidinggevende positie kreeg toebedeeld, terwijl hij onder dwang lid is geworden. Dat hij daarvoor zoveel als mogelijk opdrachten doorgaf aan anderen om zelf geen opdrachten uit te hoeven voeren, maakt dat niet anders. Voor zover eiser betoogt dat verweerder had moeten doorvragen over dat eiser eerder door cults is benaderd, maakt dat – wat daar ook van zij – het bovenstaande niet anders.
Problemen met de [groepering 1]
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt stelt dat eisers verklaringen over zijn problemen met de [groepering 1] ongeloofwaardig zijn. Op dit punt stelt verweerder niet ten onrechte dat eiser pas twee maanden na zijn gedwongen lidmaatschap de cult heeft verlaten, terwijl hij wist dat de cult mensen vermoordt en eiser (indirecte) moordopdrachten kreeg. Daarnaast hecht verweerder er terecht belang aan, dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over het moment van overlijden van zijn vader, zijnde de aanleiding voor eiser om Nigeria te verlaten. Zo heeft eiser in het aanmeldgehoor verklaard dat zijn vader in 2015 is overleden, terwijl hij in het nader gehoor heeft verklaard dat zijn vader op 17 januari 2016 is vermoord. Verder vindt verweerder eisers verklaringen over het niet verschijnen op de bijeenkomst waarop de wraak op de [groepering 2] werd georganiseerd, terecht ongeloofwaardig. Zo heeft eiser tegenstrijdig over de tijdlijn verklaard, door eerst te verklaren dat er twee bijeenkomsten waren op 10 en 13 januari 2016 en hij op de laatste niet is verschenen, om later te verklaren dat hij tijdens de eerste bijeenkomst de moordopdracht niet kon weigeren, om de volgende dag niet te verschijnen op de bijeenkomst. Tot slot vindt verweerder het niet ten onrechte vreemd dat eiser geen huisbezoek kreeg van de leden van zijn cult en hij dagelijks terugkeerde naar zijn huis voor eten, nu huisbezoeken volgens eisers eigen verklaringen gebruikelijk waren in dit soort situaties, hij een leidersfunctie had in zijn eskadron en leden van zowel de [groepering 1] als de [groepering 2] , wisten waar eiser woonde. Dat verweerder eiser in het gehoor met deze verklaringen had moeten confronteren, brengt de rechtbank, wat daar ook van zij, niet tot een ander oordeel. Dit doet namelijk geen afbreuk aan de overige tegenwerpingen van verweerder.
Problemen met de mensenhandelaar
7. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht stelt dat eisers verklaringen over de problemen met de mensenhandelaar ongeloofwaardig zijn. In dit kader werpt verweerder eiser terecht tegen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het laatste contact met deze persoon tijdens zijn verblijf in Italië. Zo heeft eiser in het aanmeldgehoor in 2019 verklaard dat het laatste contact met de mensenhandelaar inhield dat hij hem heeft gezegd te stoppen met zijn werkzaamheden, waarop hij door de mensenhandelaar is bedreigd en mishandeld. Dit is tegenstrijdig met eisers verklaringen in het nader gehoor, dat hij de telefoontjes van de mensenhandelaar niet meer beantwoordde en daarbij niet rept over een bedreiging of mishandeling. Ook heeft verweerder het opmerkelijk kunnen vinden dat eiser daarna nog drie maanden zonder problemen in Italië heeft kunnen verblijven, terwijl de mensenhandelaar wist waar eiser woonde. Dat eiser vaker door deze persoon was mishandeld, een continue dreiging van een voodoo-ritueel ervaarde en zo min mogelijk op straat kwam, doet geen afbreuk aan verweerders tegenwerpingen.
Wat is de conclusie?
8. Uit het bovenstaande volgt dat verweerder terecht en deugdelijk gemotiveerd heeft beslist dat eisers asielrelaas niet geloofwaardig is. Dit betekent dat verweerder eiser geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd hoeft te verlenen.
9. Omdat geen van de beroepsgronden slaagt, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond.
10. Verweerder hoeft eiser geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Nooijen, rechter, in aanwezigheid van mr.R. Kroes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (de Vw 2000).