ECLI:NL:RBDHA:2022:9483
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen besluit over rechtmatig verblijf en vertrektermijn op grond van Unierecht
Eiser, een Poolse nationaliteit dragende persoon, betwistte het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid dat hij geen rechtmatig verblijf had op grond van het Unierecht. Tevens stelde hij dat onterecht een B2-tolk was ingezet in plaats van een C1-tolk tijdens het gehoor, en dat de vertrektermijn onjuist was vastgesteld op 28 dagen in plaats van 30 dagen.
De rechtbank oordeelde dat het gebruik van een beëdigde tolk voldeed aan de wettelijke eisen, ongeacht het taalniveau (B2 of C1), en dat er geen aanwijzingen waren dat de kwaliteit van het gehoor hierdoor was geschaad. Het niet beantwoorden van vragen door eiser en het niet aangeven van problemen met de tolk waren voor zijn eigen risico. Ook was niet gebleken dat het besluit onzorgvuldig was voorbereid.
Ten aanzien van de vertrektermijn stelde de rechtbank vast dat eiser inmiddels geen belang meer had bij de discussie hierover, omdat hij nog in Nederland verbleef en de termijn was verstreken zonder gevolgen. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep tegen het verblijfsrecht ongegrond en het beroep tegen de verwijderingsmaatregel niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen het verblijfsrecht is ongegrond verklaard en het beroep tegen de verwijderingsmaatregel niet-ontvankelijk.