ECLI:NL:RBDHA:2022:9491
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid in vreemdelingenzaak
Verzoeker heeft een aanvraag tot afgifte van een document op grond van artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 ingediend, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen bij een besluit van 11 februari 2021.
Tegen dit primaire besluit is bezwaar gemaakt, dat bij besluit van 13 september 2021 ongegrond werd verklaard. Verzoeker stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelt dat op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak kan worden gedaan. Omdat de rechtbank het beroep van verzoeker op dezelfde dag ongegrond verklaarde, is er geen lopende bezwaar- of beroepsprocedure meer. Hierdoor is het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter M. Garabitian en griffier C.M. van den Berg, en is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2022.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat er geen lopende bezwaar- of beroepsprocedure meer is.