ECLI:NL:RBDHA:2022:9492

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juli 2022
Publicatiedatum
19 september 2022
Zaaknummer
NL21.16285
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening inzake intrekking verblijfsvergunning niet-ontvankelijk verklaard

Verzoeker heeft een verblijfsvergunning waarvan de geldigheid is ingetrokken met terugwerkende kracht tot 13 maart 2016. Na een primaire afwijzing en een beslissing op bezwaar die door de rechtbank werd vernietigd, heeft de staatssecretaris opnieuw het bezwaar ongegrond verklaard. Verzoeker stelde beroep in tegen dit bestreden besluit en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83, derde lid, Awb zonder zitting uitspraak gedaan. Omdat de rechtbank op dezelfde dag het beroep van verzoeker ongegrond verklaarde, is er geen lopende bezwaar- of beroepsprocedure meer. Hierdoor is het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar en er staat geen hoger beroep of verzet tegen open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een lopende bezwaar- of beroepsprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.16285

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 juli 2022 in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag om verlenging geldigheid van de aan verzoeker verleende verblijfsvergunning [1] afgewezen en deze verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 13 maart 2016 ingetrokken. Dit besluit geldt ook als terugkeerbesluit.
Bij besluit van 13 juni 2019 (de beslissing op bezwaar) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard.
Deze rechtbank heeft bij uitspraak van 4 juni 2021 [2] het door verzoeker ingestelde beroep gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar vernietigd en verweerder de opdracht gegeven opnieuw op het bezwaar van verzoeker te beslissen met inachtneming van de uitspraak.
Bij besluit van 23 september 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder opnieuw op het bezwaar beslist en heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb [3] uitspraak zonder zitting.
2. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Bij uitspraak van vandaag [4] heeft de rechtbank het hiervoor genoemde door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter stelt dan ook vast dat er geen bezwaar- dan wel beroepsprocedure meer loopt, zodat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Garabitian, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.C.M. van den Berg, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van de regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet (Ranov).
2.Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 juni 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:6442.
3.Algemene wet bestuursrecht.
4.Zaaknummer NL21.16283.