ECLI:NL:RBDHA:2022:9493
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid in verblijfsvergunningzaak
Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier met als doel verblijf als familie- of gezinslid. Deze aanvraag is bij besluit van 25 januari 2021 afgewezen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit bezwaar werd bij besluit van 13 september 2021 ongegrond verklaard.
Tegen het bestreden besluit heeft verzoekster beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag en tevens verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak gedaan zonder zitting.
De rechtbank heeft het beroep van verzoekster inmiddels ongegrond verklaard, waardoor er geen lopende bezwaar- of beroepsprocedure meer is. Gezien dit feit verklaart de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter M. Garabitian en griffier C.M. van den Berg. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroep reeds ongegrond is verklaard.