ECLI:NL:RBDHA:2022:9499
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk na ongegrondverklaring beroep verblijfsvergunning
Verzoeker heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen bij een besluit van 6 mei 2021. Tevens is aan verzoeker een terugkeerbesluit opgelegd. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit primaire besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.
Voordat de zitting plaatsvond, verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond bij besluit van 11 oktober 2021. Verzoeker stelde vervolgens beroep in tegen dit bestreden besluit. De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek om een voorlopige voorziening dat werd gedaan in afwachting van de beroepsprocedure.
De rechtbank heeft het beroep van verzoeker ongegrond verklaard, waardoor er geen bezwaar- of beroepsprocedure meer loopt. Op grond hiervan verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 26 juli 2022.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroep reeds ongegrond is verklaard.