ECLI:NL:RBDHA:2022:9499

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juli 2022
Publicatiedatum
19 september 2022
Zaaknummer
AWB 21/2823
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk na ongegrondverklaring beroep verblijfsvergunning

Verzoeker heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen bij een besluit van 6 mei 2021. Tevens is aan verzoeker een terugkeerbesluit opgelegd. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit primaire besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.

Voordat de zitting plaatsvond, verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond bij besluit van 11 oktober 2021. Verzoeker stelde vervolgens beroep in tegen dit bestreden besluit. De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek om een voorlopige voorziening dat werd gedaan in afwachting van de beroepsprocedure.

De rechtbank heeft het beroep van verzoeker ongegrond verklaard, waardoor er geen bezwaar- of beroepsprocedure meer loopt. Op grond hiervan verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 26 juli 2022.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroep reeds ongegrond is verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 21/2823

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 juli 2022 in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. M. Yildirim),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (verweerder).

Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker voor een verblijfsvergunning afgewezen en aan hem een terugkeerbesluit opgelegd.
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Voordat een zitting heeft plaatsgevonden, heeft verweerder bij besluit van 11 oktober 2021 (het bestreden besluit) het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.
2. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Bij uitspraak van vandaag [2] heeft de rechtbank het hiervoor genoemde door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter stelt dan ook vast dat er geen bezwaar- dan wel beroepsprocedure meer loopt, zodat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, rechter, in aanwezigheid van mr. C.M. van den Berg, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2022.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Zaaknummer AWB 21/6134.