ECLI:NL:RBDHA:2022:9502
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorziening uitstel van vertrek en opvang AZC
Verzoekster diende een aanvraag in voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege haar zwangerschap. Deze aanvraag werd aanvankelijk afgewezen, waarna zij bezwaar maakte en tevens een verzoek om voorlopige voorziening indiende. Later verleende verweerder alsnog uitstel van vertrek met ingang van 24 augustus 2022.
Verzoekster handhaafde haar verzoek om voorlopige voorziening, met name gericht op het verkrijgen van opvang en administratieve plaatsing in het AZC Oisterwijk. De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek formeel connex was aan het bezwaar, maar materieel niet, omdat het verzoek om opvang en administratieve plaatsing niet onder het bestreden besluit viel.
Verder overwoog de rechter dat de opvang en verstrekkingen onder de bevoegdheid van het COa vallen en verzoekster zich tot deze instantie moet wenden. Omdat het verzoek om voorlopige voorziening voor het onderdeel opvang en plaatsing buiten de strekking van het bestreden besluit viel, werd het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Ook het verzoek tot uitstel van vertrek was inmiddels ingewilligd, waardoor het procesbelang voor dat onderdeel ontbrak.
De voorzieningenrechter benadrukte dat de beoordeling van de redelijkheid van het beleid omtrent artikel 64 Vw Pro niet aan de voorlopige voorziening toekomt. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van materiële connexiteit en procesbelang.