ECLI:NL:RBDHA:2022:9521
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing mvv-aanvraag wegens niet voldoen aan middelenvereiste ondanks Covid-19 baanverlies
Eiseres, een Soedanese vrouw, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf bij haar echtgenoot (referent) in Nederland. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat de referent niet voldeed aan het middelenvereiste, aangezien hij een uitkering ontvangt en niet over stabiele en regelmatige inkomsten beschikt.
Eiseres voerde in beroep aan dat de referent vrijgesteld moest worden van het middelenvereiste omdat hij zijn baan had verloren door de Covid-19-pandemie. Tevens stelde zij dat de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro onjuist was gemaakt en dat zij en de referent niet gehoord waren in bezwaar.
De rechtbank oordeelde dat de referent al voor de uitbraak van Covid-19 een uitkering ontving en slechts kort werkte. Er was geen sprake van blijvende arbeidsongeschiktheid of een uitzichtloze situatie. De belangenafweging was zorgvuldig en in overeenstemming met het EVRM gemaakt, waarbij alle relevante feiten waren meegewogen. Het verzoek tot horen in bezwaar werd afgewezen omdat eiseres onvoldoende had toegelicht waarom zij het niet eens was met het besluit.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wegens niet voldoen aan het middelenvereiste wordt ongegrond verklaard.