ECLI:NL:RBDHA:2022:9638
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Voorlopige ondertoezichtstelling toegewezen, machtiging uithuisplaatsing afgewezen in belang minderjarigen
De rechtbank Den Haag behandelde op 9 september 2022 een zaak betreffende twee minderjarigen, waarbij verzoeken waren ingediend tot voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing. De oudste minderjarige was eerder uit huis geplaatst geweest en sinds december 2021 weer bij de moeder. Door inzet van hulpverlening was er aanvankelijk een positieve ontwikkeling, maar recente incidenten waarbij de vader betrokken was, leidden tot veiligheidszorgen.
De gecertificeerde instelling en de Raad voor de Kinderbescherming stelden een uithuisplaatsing noodzakelijk vanwege de onveilige thuissituatie en het ontbreken van voldoende naleving van veiligheidsafspraken door de moeder. De moeder voerde verweer, stelde dat beschuldigingen vals waren en dat zij bereid was tot samenwerking en het naleven van afspraken.
De kinderrechter oordeelde dat de gronden voor uithuisplaatsing onvoldoende waren en gaf de moeder een laatste kans om samen met hulpverleners nadere veiligheidsafspraken te maken. Wel werd de voorlopige ondertoezichtstelling voor de jongste minderjarige toegewezen, omdat er sprake was van fysieke en emotionele onveiligheid en de noodzaak om zicht te krijgen op de opvoedvaardigheden van de moeder.
De beschikking werd mondeling gegeven en schriftelijk vastgesteld, waarbij hoger beroep mogelijk is binnen drie maanden na uitspraak.
Uitkomst: De voorlopige ondertoezichtstelling wordt toegewezen, de machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgewezen, met een laatste kans voor de moeder om veiligheidsafspraken na te komen.