ECLI:NL:RBDHA:2022:9654
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid na bezwaarbesluit
Verzoeker diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 7 april 2022 werd afgewezen. Hiertegen maakte verzoeker bezwaar, waarna de staatssecretaris op 20 juni 2022 op het bezwaar heeft beslist.
Verzoeker vroeg vervolgens de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter oordeelde dat op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een verzoek om voorlopige voorziening alleen mogelijk is indien er een bezwaar of beroep aanhangig is.
Omdat het bezwaar reeds was afgehandeld en er geen beroep was ingesteld binnen de daarvoor geldende termijn, was er geen bezwaar of beroep meer aanhangig. Hierdoor was het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar reeds is afgehandeld en er geen beroep is ingesteld.