ECLI:NL:RBDHA:2022:9667
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid bij afwijzing verblijfsvergunning
Verzoeker heeft bij besluit van 16 maart 2022 een afwijzing ontvangen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Hiertegen maakte hij bezwaar, waarna de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 30 mei 2022 op het bezwaar heeft beslist. Verzoeker heeft vervolgens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter.
De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht een verzoek om voorlopige voorziening alleen mogelijk is indien er een bezwaar of beroep aanhangig is. Nu het bezwaar reeds is afgedaan en er geen beroep is ingesteld binnen de daarvoor gestelde termijn, is het verzoek om voorlopige voorziening niet ontvankelijk.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek dan ook niet-ontvankelijk en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar is afgehandeld en geen beroep is ingesteld.