Partijen zijn gescheiden en hebben in het echtscheidingsconvenant afspraken gemaakt over de gezamenlijke woning, waarbij de overwaarde bij verkoop volledig aan de man zou toekomen. De vrouw vordert vernietiging van het convenant wegens dwaling en stelt dat de afspraak slechts bedoeld was om schuldeisers buiten te houden, terwijl de man stelt dat de regeling bewust is overeengekomen vanwege financiële problemen tijdens het huwelijk.
De rechtbank stelt vast dat partijen in gemeenschap van goederen waren gehuwd en dat het convenant rechtsgeldig tot stand is gekomen met volledige juridische bijstand. Het beroep op dwaling faalt omdat de vrouw niet heeft aangetoond dat zij over de waarde van de woning heeft gedwaald en onvoldoende onderbouwing van andere wilsgebreken is gegeven. De uitleg van het convenant wordt getoetst aan de Haviltex-maatstaf en leidt tot de conclusie dat de overwaarde van de woning inderdaad volledig aan de man toekomt.
De woning moet nog worden verkocht; partijen zijn het eens over verkoop aan een derde. De rechtbank bepaalt dat de man de verkoopkosten draagt en recht heeft op de resterende overwaarde na aflossing van de hypotheek en kosten. De verkoop mag niet eerder dan drie maanden na opdracht aan de makelaar plaatsvinden, tenzij partijen anders overeenkomen. De proceskosten worden gecompenseerd, ieder draagt eigen kosten.