ECLI:NL:RBDHA:2022:9696

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 september 2022
Publicatiedatum
26 september 2022
Zaaknummer
AWB - 21 _ 3187
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:46 AwbArt. 17 ASV Den Haag 2014Art. 20 lid 4 ASV Den Haag 2014
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen subsidievaststelling voor project Verborgen Schatten afgewezen

Stichting BedtimeStories ontving een subsidie voor het project 'Verborgen Schatten' 2018, vastgesteld op €59.009,32 door het College van burgemeester en wethouders van Den Haag. De Stichting betwistte de vaststelling omdat het College geen rekening hield met een vermeende bonus aan de directeur en accountantskosten.

De Stichting stelde dat de bonus een achterstallig salaris betrof en dat accountantskosten onterecht niet werden meegenomen, mede omdat de subsidievoorwaarden als inspanningsverplichtingen waren gepresenteerd. Het College verweerde zich door te stellen dat deze posten niet in de subsidieaanvraag of -verlening waren opgenomen en daarom niet konden worden gehonoreerd.

De rechtbank oordeelde dat het niet relevant was of de salarisverhoging een bonus of achterstallig salaris was, omdat deze niet in de begroting was opgenomen en geen toestemming was gevraagd. Ook voor de accountantskosten was geen subsidie verleend omdat deze niet in de begroting stonden en de Stichting niet tijdig toestemming had gevraagd om deze op te nemen.

Verder wees de rechtbank de interpretatie van de Stichting over de subsidievoorwaarden af en benadrukte dat het de verantwoordelijkheid van de Stichting was om een juiste begroting op te stellen en wijzigingen te melden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van Stichting BedtimeStories tegen het subsidievaststellingsbesluit is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/3187

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 september 2022 in de zaak tussen

Stichting BedtimeStories, gevestigd te Den Haag, (de Stichting), eiseres

(gemachtigde: mr. E. Koornwinder),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag(het College), verweerder
(gemachtigde: mr. G. Nanda).

Procesverloop

Met het besluit van 3 augustus 2020 (het primaire besluit) heeft het College de aan de Stichting verleende subsidie voor het project ‘verborgen schatten 2018’ vastgesteld op € 59.009,32.
Met het besluit van 16 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft het College het bezwaar van de Stichting ongegrond verklaard.
De Stichting heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2022.
Namens de Stichting zijn verschenen [A] , [B] en [C] , bijgestaan door de gemachtigde.
Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. Aan de Stichting is bij besluit van 19 januari 2018 een subsidie verleend van € 110.000,- voor het project ‘Verborgen Schatten’ voor het jaar 2018. Bij het primaire besluit is de subsidie vastgesteld op € 59.009,32. Daarbij heeft verweerder geen rekening gehouden met de door de Stichting opgevoerde posten bonus directeur en accountantskosten. Het College heeft daarom het aan activiteiten gerealiseerde bedrag (€ 93.500,-) verminderd met het (subsidie)aandeel van de gemeente van € 27.000,- in de bonus van de directeur (totaal € 45.000,-) en het (subsidie)aandeel van de gemeente van € 7.490,68 in de accountantskosten (totaal € 15.582,-).
Wat vinden partijen?
2.1.
De Stichting stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een aan de directeur uitgekeerde bonus van € 45.000,-, maar van betaling van achterstallig salaris. In beroep stelt de Stichting dat de begrote salariscomponenten met de vanuit het jaar 2017 naar 2018 doorgeschoven subsidies moeten worden meegerekend. Daarmee komt het totaal aan begrote salariskosten voor 2018 op € 62.659,87.
2.2.
Ten aanzien van de accountantskosten stelt de Stichting dat eerst bij de vaststelling door het College is aangegeven dat geen subsidie is aangevraagd voor accountantskosten, hoewel in 2017 minutieus de aanvraag voor 2018 met het College is besproken. Echter, pas met het besluit tot subsidieverlening waren de voorwaarden aan de Stichting bekend. Toen werd ook pas bekend dat de subsidieverlening meer dan € 100.000,- bedroeg, waardoor de accountscontrole verplicht werd. De Stichting had alsnog in de gelegenheid gesteld moeten worden een post accountantskosten in de begroting op te nemen.
Bovendien is op 11 maart 2018 aan de Stichting meegedeeld dat de subsidievoorwaarden moeten worden beschouwd als een inspanningsverplichting en niet als verplichte voorwaarden, waaraan zou moeten worden voldaan. Hiermee is de verwachting gewekt dat indien de Stichting met nadere informatie zou komen, de accountantskosten alsnog voor subsidie in aanmerking zouden komen. Het deel van € 7.491,- van de accountantskosten is dus ten onrechte niet meegenomen bij de subsidievaststelling.
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in de subsidieaanvraag noch in de subsidieverlening een post ‘bonus directeur’ en ‘accountantskosten’ is opgenomen. Alleen al hierom kon bij de vaststelling van de subsidie geen rekening kan worden gehouden met deze nagekomen posten.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4.1.
Op grond van artikel 4:46, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast, indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven.
Verder is van belang dat het hier gaat om een exploitatiesubsidie en dat op grond van artikel 17 van Pro de Algemene subsidieverordening Den Haag 2014 (ASV) een exploitatiesubsidie die bij de beschikking tot verlening is verdeeld over verschillende kostensoorten, niet van de ene soort naar de ander soort mag worden overgeheveld, tenzij het College hier uitdrukkelijk toestemming voor heeft gegeven.
Salaris directeur
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de beantwoording van de vraag of de achteraf bepaalde salarisverhoging van de directeur een ‘bonus’ wordt genoemd of een ‘salarisverhoging met terugwerkende kracht’ niet relevant is. Het College heeft terecht vastgesteld dat van deze salarisverhoging in de begroting bij de aanvraag van 31 oktober 2017 noch in begroting bij de aanvraag van 6 november 2017 melding is gemaakt. Er is hiervoor dan ook geen subsidie verleend. De Stichting heeft hiervoor ook nadien geen toestemming van het College gevraagd en gekregen. Dat de Stichting er voor heeft gekozen een meer markconform salaris aan de directeur te betalen en het aantal werkuren te verhogen, betekent niet dat daarvoor ook subsidie is verleend. Niet valt in de zien dat het doorschuiven van subsidiebedragen uit 2017 moet leiden tot de conclusie dat voor 2018 subsidie is verleend voor het verhogen van het salaris van de directeur. Verweerder heeft dus terecht bij de subsidievaststelling daarmee geen rekening gehouden. De vraag of de verhoging van het salaris van de directeur past binnen de subsidiedoelstellingen acht de rechtbank daarbij niet van belang. Niet in geschil is dat het project ‘Verborgen Schatten’ zelf wel aan de subsidiedoelstellingen voldoet. Daarmee is echter niet gegeven dat subsidie is verleend voor de verhoging van het salaris van de directeur met terugwerkende kracht.
Accountantskosten
4.3.
Op grond van artikel 20, vierde lid, van de ASV bevat de aanvraag om subsidievaststelling tevens een controleverklaring van een onafhankelijk accountant, indien het verleende subsidiebedrag op jaarbasis meer bedraagt dan € 100.000,-.
4.4.
Het College heeft terecht vastgesteld dat van accountantskosten in de begroting bij de aanvraag van 31 oktober 2017 noch in begroting bij de aanvraag van 6 november 2017 melding is gemaakt. Voor de accountantskosten is dus geen subsidie verleend.
Na het besluit tot subsidieverlening wist de Stichting dat het bedrag van de subsidieverlening meer dan € 100.000,- bedroeg. Zij wist op dat moment, of had op dat redelijkerwijs kunnen weten, dat een accountsverklaring bij de subsidievaststelling vereist was. Dit vereiste is immers expliciet opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening. Uit een e-mail van 19 september 2019 van de directeur van de Stichting blijkt verder dat in ieder geval medio 2018 voor de Stichting duidelijk werd dat over 2017 een door een accountant gecontroleerde jaarrekening moest worden overgelegd. Vanaf dat moment had de Stichting in ieder geval aan het College toestemming kunnen – en ook moeten – vragen om de accountantskosten 2018 in de begroting van de subsidieverlening op te nemen. Nu zij dat niet heeft gedaan, is voor de accountantskosten geen subsidie verleend en heeft verweerder deze kosten terecht niet bij de subsidievaststelling meegenomen.
4.5.
De voorzitter van de Stichting heeft bij e-mail van 11 maart 2018 het bezwaar tegen het besluit tot subsidieverlening van 19 januari 2018 ingetrokken. Daarbij vermeldt hij dat in een overleg met beleidsmedewerkers van het College zijn zorgen over de subsidievoorwaarden zijn weggenomen, omdat die subsidievoorwaarden, die hij als harde subsidievoorwaarden interpreteerde, in het gesprek als inspanningsverplichtingen bleken te worden gehanteerd.
De rechtbank is van oordeel dat uit deze e-mail niet de toezegging kan worden opgemaakt dat bij de subsidieverlening niet opgevoerde posten, alsnog bij de subsidievaststelling kunnen worden meegenomen. Daargelaten dat de e-mail een interpretatie van het gesprek is van een bestuurder van de Stichting, is het niet volledig voldoen aan subsidievoorwaarden, niet gelijk te stellen met het eerst aanvullen van begrotingsposten bij de subsidievaststelling, terwijl deze niet bij de subsidieaanvraag waren opgevoerd.
Anders dan de Stichting aanvoert was het College niet verplicht op de intrekking van het bezwaar te reageren. Het was aan de Stichting om zich over de consequenties van de intrekking te laten informeren.
4.6.
Ter zitting is gebleken dat de communicatie tussen partijen moeizaam verloopt. Dit neemt niet weg dat het de verantwoordelijkheid van de Stichting zelf is om de juiste begroting bij het verzoek om subsidieverlening op te stellen en om bij tussentijdse wijzigingen verweerder om toestemming te vragen.
4.7.
Het beroep is ongegrond.
4.8.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Leijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 september 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.