Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2022:9776

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2022
Publicatiedatum
27 september 2022
Zaaknummer
21/2212
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling Sociale Verzekeringsbank in proceskosten na intrekking besluit kinderbijslag

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) van 5 februari 2021 betreffende kinderbijslag. Tijdens de procedure heeft de rechtbank op 23 mei 2022 een zitting via beeldverbinding gehouden. Vervolgens heeft de Svb het bestreden besluit op 2 juni 2022 ingetrokken en een nieuw besluit genomen waarin geheel aan eiseres is tegemoetgekomen door alsnog kinderbijslag toe te kennen per het eerste kwartaal van 2021.

Naar aanleiding van deze intrekking heeft eiseres het beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van de proceskosten. De rechtbank oordeelt dat op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de Svb in de proceskosten kan worden veroordeeld indien het bestuursorgaan geheel aan de indiener van het beroepschrift tegemoetkomt.

De rechtbank veroordeelt de Svb in de proceskosten van eiseres, vastgesteld op €1.518,- voor beroepsmatige bijstand en wijst tevens de vergoeding van het betaalde griffierecht van €49,- toe. De uitspraak is gedaan door rechter J.B. Wijnholt op 30 juni 2022.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Sociale Verzekeringsbank in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van €1.518,- en de griffierechtvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/2212

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2022 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.L.M. Klinkhamer),
en

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb), verweerder

(gemachtigde: W. van den Berg).

Procesverloop

De rechtbank heeft op 15 maart 2021 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 5 februari 2021 (het bestreden besluit).
Het onderzoek ter zitting heeft met behulp van een beeldverbinding plaatsgevonden op 23 mei 2022. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het onderzoek is ter zitting geschorst.
Verweerder heeft het bestreden besluit op 2 juni 2022 ingetrokken en een nieuw besluit genomen.
Op 13 juni 2022 heeft eiseres het beroep ingetrokken en verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten.
Van verweerder is daarop een reactie ontvangen.

Beoordeling door de rechtbank

1. Ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten worden veroordeeld.
2. In dit geval is niet in geschil dat verweerder met het besluit van 2 juni 2022 geheel aan eiseres is tegemoetgekomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb door alsnog per het eerste kwartaal van 2021 kinderbijslag aan eiseres toe te kennen. Verweerder heeft zich niet verzet tegen de gevraagde proceskostenveroordeling.
3. De rechtbank veroordeelt verweerder in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht komt de door een derde beroepsmatig verleende bijstand voor vergoeding in aanmerking. In dit geval worden de kosten die daarvoor door eiseres zijn gemaakt vastgesteld op € 1.518.- (één punt voor het indienen van een beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 759,- per punt en een wegingsfactor 1).
4. De rechtbank wijst erop dat het in deze zaak betaalde griffierecht van € 49,- op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb tevens door verweerder aan eiseres moet worden vergoed.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.518,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.B. Wijnholt, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A.C. van Poelgeest, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.