Eisers hebben beroep ingesteld tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag die twee omgevingsvergunningen verleenden voor het tijdelijk veranderen van de bestemming van de begane grond van twee panden naar onderwijsfuncties, respectievelijk een 'ontdek-lab' en een 'theaterpakhuis'. De vergunningen zijn verleend voor een periode van vijf jaar. Eisers voerden onder meer geluidshinder, belemmering van hun garage, verkeersveiligheid, het ontbreken van een ruimtelijke onderbouwing en het onttrekken van woningen aan de woningvoorraad aan als gronden.
De rechtbank oordeelt dat de leslokalen zich bevinden in een gebied met functiemenging, waardoor de richtafstanden uit de VNG-brochure niet van toepassing zijn. Het college heeft aannemelijk gemaakt dat de leslokalen bouwkundig zijn afgescheiden van de woningen van eisers en dat het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast. De overige beroepsgronden, waaronder de verkeersveiligheid en ruimtelijke onderbouwing, slagen niet omdat deze niet in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan of onvoldoende zijn onderbouwd.
Verder oordeelt de rechtbank dat de overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase heeft plaatsgevonden en veroordeelt het college en de Staat tot een gezamenlijke vergoeding van €1.500,- immateriële schade, verdeeld naar evenredigheid. Ook worden proceskosten voor het verzoek om schadevergoeding toegewezen. De beroepen worden ongegrond verklaard en het college mag de vergunningen handhaven.