Op 17 april 2022 werd het levenloze lichaam van het slachtoffer in een woning in Den Haag aangetroffen, waarna verdachte en twee medeverdachten werden aangehouden wegens mogelijke betrokkenheid bij de dood van het slachtoffer.
De officier van justitie vorderde vrijspraak van het primair ten laste gelegde en bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte. De verdachte ontkende betrokkenheid bij het overlijden en verklaarde alleen getuige te zijn geweest van geweld door de medeverdachten.
De rechtbank achtte de verklaring van verdachte betrouwbaar, mede omdat deze werd bevestigd door onderzoeksresultaten die nog niet bekend waren toen verdachte sprak. De belastende verklaringen van de medeverdachten werden als ongeloofwaardig beoordeeld. Hierdoor kon het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard, wat leidde tot vrijspraak.
De benadeelde partijen hadden schadevergoedingen gevorderd, maar deze vorderingen werden niet-ontvankelijk verklaard vanwege de vrijspraak van verdachte. De rechtbank veroordeelde de benadeelde partijen in de proceskosten, begroot op nihil.
Hoewel de rechtbank het nalaten van verdachte om eerder hulp in te schakelen laakbaar achtte, viel dit niet onder het ten laste gelegde. Het vonnis werd uitgesproken op 12 juli 2023 door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag.